|
Kuzushi
(崩)
de
praktische essentie van seiryoku zenyo
"Meneer Iikubo was meer
dan 50 jaar oud op dat moment, maar nog steeds sterk. Ik werkte vaak
met hem. Hoewel ik mijn techniek aan de lopende band oefende, kon ik
nooit met hem wedijveren. Ik denk dat het rond 1885 was, dat ik merkte
dat tijdens randori met hem, de technieken die ik probeerde
erg effectief waren. Normaal gesproken wierp hij mij, maar nu was ik
steeds vaker hem aan het werpen. En dat ondanks het feit dat hij van
de Kito-ryu-school was, en bijzonder bedreven in werptechnieken.
Dit verbaasde hem en hij
was er een tijdje van streek van. Wat ik had gedaan was zeer
ongebruikelijk. Maar het was het resultaat van mijn studie hoe je de
balans van je tegenstander kunt doorbreken. Het was waar dat ik dat
punt al een tijdje had bestudeerd, samen met te lezen over de beweging
van je tegenstander. Maar bij hem had ik voor het eerst het principe
geprobeerd om de balans van je tegenstander eerst te breken alvorens
de beweging van de worp te maken. Later in de Kodokan leerde ik dit
principe als happo-no-kuzushi (balansverstoring in acht
richtingen) en roppo-no-kuzushi (balansverstoring in zes
richtingen).
Kort gezegd was de kern
van de studie dat een menselijk lichaam zijn balans verliest als het
achterwaarts wordt geduwd, of naar voren getrokken. Iemand die
onzorgvuldig staat, ofschoon hij groot en sterk kan zijn, deinst terug
als hij van voren wordt geduwd, en neigt voorover als hij voorover
wordt getrokken. Dan is zijn houding doorbroken. Een sterke
tegenstander kan natuurlijk in staat zijn om weerstand te bieden als
je duwt of trekt. Op die manier kun je zijn houding doorbreken als je
hem achteroverduwt als hij trekt, of hem voorover trekken als hij jou
achterover duwt. Er moet echter benadrukt worden dat de worp die je
wilt toepassen alleen effectief is, als de tegenstander zijn balans
heeft verloren."
Jigoro Kano
vgl. het hele verhaal in:
Judo Memoirs, p.35-36.
In
de eerste vier toepassingen van het menu 'seiryoku zenyo' ging
het vooral over ethiek. Het grote principe als basis van morele
opvoeding en toepassing in het dagelijks leven. Hoewel het op de
tatami ook van groot belang is om als mens in harmonie te zijn, gaat
het daar niet om deugden alleen. De toepassing van seiryoku zenyo
op judo blijkt eigenlijk het best uit het principe van kuzushi.
| |
Ethiek |
Judoleer |
| |
1) deugd
2) orde
3) strategie
4) beheersing |
1) Kuzushi |

Superieure techniek overwint
kracht
|
1. Kuzushi - wat is
het?
"Kuzushi" is het meest vernieuwende idee dat Jigoro Kano ontwikkelde in
het kader van seiryoku zenyo. Het betekent: balansverstoring
(letterlijk: vernietiging). Je kunt alleen verstoren wat in balans is.
Wat is balans?
-
Lichamelijk: een natuurlijke houding, de voeten in een verticale lijn
van onderaf door het zwaartepunt van het lichaam heen. (nadere
specificatie volgt in het onderstaande!)
-
Geestelijk: concentratie, innerlijke vrijheid, openheid, rust.
Balansverstoring kan betrekking hebben op deze twee elementen. Maar
balans is ook de harmonie tussen beide elementen: een gezonde geest in
een gezond lichaam, de eenheid van geestelijke en lichamelijke energie.
Wie geestelijke onbalans heeft, zal lichamelijk eveneens zijn balans
verliezen. En omgekeerd: wie lichamelijk niet in balans is, gaat ook
geestelijk onderuit. Denk aan de betekenis van aiki en kiai.
Een goede judoka zal proberen de ander niet alleen lichamelijk, maar
ook geestelijk uit balans te brengen, dat wil zeggen: zelf
geconcentreerd, vrij en natuurlijk blijven (jū) en de ander
afleiden zodat het juiste moment voor de aanval kan worden gekozen.
Mentale kuzushi
is een tactisch instrument om de ander te overweldigen voor er zelfs
maar een techniek is toegepast. |
|
Het geestelijke element van balans is uitvoerig in de eerste vier punten
van het menu besproken. Nu gaat het over de lichamelijke balans.
Daarbij moeten we wel de aantekening maken dat kuzushi in
fysieke zin vooral van belang is bij staand judo (tachiwaza) en
het uitvoeren van worpen (nagewaza). Natuurlijk is balans op de
grond ook belangrijk (newaza) want ook daar werken de
wetten van het lichaam en de zwaartekracht. Maar Jigoro Kano leerde
het principe van
kuzushi in studie vanuit de Kito-Ryu-school en daar lag de
nadruk op nagewaza. judo is natuurlijk meer dan staande
techniek. Maar als we eerlijk zijn, lijkt het er sterk op dat Kano
c.s. in het denken vooral uitgaan van nagewaza - denk maar aan
de 'heilige' 40 Kodokan-technieken van de Gokyo-no-waza. Zonder
newaza te verwaarlozen - maar wel met een principiëlere interesse
in het kuzushi-effect bij
nagewaza.
Natuurkundige wetten
De waarheid is dat
technieken niets anders zijn dan weergaven van wetenschappelijke
principes. De wetenschappelijke principes moet de martial artist
leren. Zou moeten leren. Ofschoon de meeste vechtsporters ze nooit
zullen ontdekken, of ze verkennen als ze er van horen. Leer de
principes die de technieken laten werken en je kunt ze toepassen in
talrijke variaties die je meer effectief laten vechten, of die je
helpen om toe te passen wat je weet met betere resultaten.
Gary Moro
Kuzushi heeft alles te maken met de wetten van
Newton inzake
beweging en
zwaartekracht. Daar is in de handboeken
van alles over te vinden en Mitesco geeft geen natuurkundeles. We kunnen
het zo ingewikkeld maken als we willen - we besparen u de formules.
Maar kort gezegd is de essentie:
(1) het principe van beweging is inherent aan judo: de judoka
bewegen voortdurend. Zeker tijdens kumi-kata oefenen zij kracht
(impuls) uit op de ander.
(2) Zo treden de wetten van traagheid (eerste wet), beweging (tweede
wet), actie/reactie (derde wet) en zwaartekracht (aparte wet) in
werking. De eerste wet betekent: een judoka die in balans staat zal zo
blijven staan als er geen kracht op hem wordt uitgeoefend. Of hij zal
zich bewegen met een bepaalde snelheid. De tweede wet betekent: een
judoka ondervindt de kracht van de ander in de mate van diens gewicht
en snelheid. Ofwel hij oefent die kracht zelf uit. De derde wet
betekent: zijn lichaam vangt de impuls op en 'kaatst' die terug.
Daarbij komt hij zelf ook in beweging door de kracht van de
aanval die op hem wordt uitgeoefend. De wet van de zwaartekracht
betekent: wie tijdens het opvangen van beweging zijn evenwicht
verliest, wordt prooi van de zwaartekracht; zijn massa (gewicht) wordt
door (het middelpunt van) de aarde aangetrokken.
(3) Balanceren is: een judoka waar kracht op wordt uitgeoefend
(trekken, duwen) blijft in balans als hij de impuls kan opvangen en
met een andere (tegen)beweging het evenwicht herstelt. Het lichaam
doet dat van nature, instinctief.
Wat is balans? Niet alleen het evenwichtsorgaan.
(4) Bij
kuzushi speelt mee dat elke mens in zichzelf een zwaartepunt of
gewichtszwaartepunt heeft. Dat is - simpel gezegd - een centrum, een
kantelpunt in het lichaam op basis van zijn gewichtsverdeling. Het
zwaartepunt ligt normaal altijd in de buurt van de heuphoogte, in de
onderbuik. De klassieke martial arts noemen het tanden
of hara.
(5) Een judoka is in balans als er vanuit de voeten (het midden van de
basis) een verticale lijn omhoog kan worden getrokken door het
zwaartepunt heen. De voeten staan daarbij in een hoek van maximaal 90
graden.
(6) Wordt die verticale lijn verbroken, is de balans verbroken. Als de
balans wordt verbroken en niet wordt hersteld door de reactie van het
evenwichtsorgaan dat via de hersenen de voeten aanstuurt om met een
stap het evenwicht te herstellen, verliest de judoka letterlijk "zijn
evenwicht". Dan trekt de zwaartekracht de judoka naar de grond.
(7) Wie bij nagawaza gebruik maakt van het kantelpunt, zet
minder kracht omdat de zwaartekrachtwerking de rest doet. Het gaat
namelijk om de gewichtverplaatsing van het bovenlichaam rondom het
zwaartepunt, en dat doet heel het lichaam draaien rondom het
zwaartepunt. De massa (het gewicht) is onderhevig aan de
zwaartekracht.
naar
boven
2. Balans en zwaartepunt
Balans in de voeten
Het balans-element is bij tachiwaza natuurlijk vooral een kwestie
van de
stand van de voeten. De voeten (meer
uit elkaar of niet) vormen een driehoek, waarbij de voeten in een hoek
van maximaal 90 graden staan. Je legt er geen lineaal langs, maar het
zwaartepunt moet recht boven het meetkundig middelpunt van de
driehoek
liggen om balans te hebben. Dat wordt bedoeld met de 'verticale lijn'
naar boven. Als de judoka in balans op zijn voeten staat, is de
zwaartekrachtwerking ook alleen verticaal. Hij zal dus niet vallen.
(nadere uitleg bij punt 2.)
In alle gevallen is de driehoek bepalend. Dat hoeft uiteraard geen vaste
positie te betekenen. Als de voeten dichter bij elkaar staan is de
driehoek kleiner en loopt de lijn bijna kaarsrecht langs de benen
omhoog. Dat is zo bij de natuurlijke basishouding (shizen-hontai
of shizentai migi/hidari). Als de voeten verder uit elkaar staan
en de benen gespreid, wordt de driehoek groter, waardoor de lijn iets
achter de judoka omhoog loopt. Van nature krommen de benen zich ook iets
bij een bredere voetbasis. Precies goed, want met gestrekte benen
wijdbeens staan is een verkrampte houding en geeft al snel onbalans naar
achteren of voren. De gespreide stand (jigo-hontai of
jigotai migi/hidari) is de beste verdedigende houding.
|
Als een judoka zijn voeten beweegt of verplaatst, verschuiven de
hoekpunten van de driehoek, en moet het zwaartepunt opnieuw in het
midden komen. Als een judoka zich beweegt met zijn heupen, verschuift
het zwaartepunt en moet het opnieuw in het midden komen. Als een judoka
zich beweegt met zijn bovenlichaam, verschuift hij boven het zwaartepunt
en moet hij zijn voeten opnieuw positioneren om weer met het zwaartepunt
in het midden te komen. Elke beweging is dus in feite een afwisseling
van balans-onbalans-balans en die wordt met name bepaald door de
voetpositie.
In de praktijk beweegt een judoka natuurlijk en voelt hij aan hoe hij de
juiste balans kan vinden of herstellen.
Zolang de judoka beide voeten volledig op de grond heeft (in staande
positie), is er nog gemakkelijk balansherstel
mogelijk door het bovenlichaam te bewegen en het zwaartepunt opnieuw te
centreren. Als de judoka op de hielen of tenen leunt, of één been los
van de grond is, is dat herstel alleen mogelijk door weer stabiel te
gaan staan. Pas als hij staat, vormt de voetpositie zich opnieuw, en kan
de lijn naar het zwaartepunt opnieuw worden bepaald.
Sommige worpen waarbij tori
langer dan normaal op één been moet blijven staan (harai-goshi,
uchi-mata e.d.) leiden er vaak toe dat tori na het welslagen
van de worp zelf ook komt te vallen. Bij veel worpen is dat ook prima om
door te kunnen gaan in osae-komi. Het vraagt wel heel veel
souplesse om op één been te staan, én de juiste kracht te zetten met de
armen en een been, én na de worp weer snel terug te komen in de juiste
voetpositie... De grote meesters kunnen dat, maar veel doorsnee-judoka
zijn dan niet zo evenwichtig. En dan speelt er nog iets.
|
 |
Balans in het bovenlichaam
Er
is een nog andere berekening van toepassing op kuzushi en de
zwaartekrachtwerking, die door sommigen 'triangulatie'
wordt genoemd. Het is een wat excentrieke theorie, maar het lijkt geen
onzin. Het bovenlichaam van de judoka kan vrij bewegen, tijdens
kumi-kata of in de verdediging. De vraag is: wanneer wordt de judoka
nou kuzushi en krijgt de zwaartekracht vat op het bovenlichaam?
Is te berekenen wanneer het bovenlichaam zijn balans verliest?
De
theorie van triangulatie zegt: ja, dat kun je berekenen. Het komt hierop
neer: er is vanaf de kniehoogte ten opzichte van de grond een
gelijkbenige driehoek te maken naar een zeker punt in één van de
kuzushi-richtingen. Dat punt ligt dus, afhankelijk van de lengte van
de benen, op een bepaalde afstand - namelijk dezelfde afstand als die
van het knieën tot de grond. Als het bovenlichaam qua massa (de
schouders) over dat punt heen is, is het onherroepelijk
kuzushi en valt per se. Als de judoka nog vóór dat punt werkt aan
balansherstel, kan dat nog kans van slagen hebben. Bij elke poging om de
ander te werpen, probeert tori uke over dat punt te krijgen. Het
principe van triangulatie wordt door judoka instinctief toegepast,
zowel in aanval als verdediging, maar lijkt dus ook wiskundig meetbaar.
De
reden waarom judoka zelf nogal eens vallen als ze bijvoorbeeld een
succesvolle uchi-mata hebben toegepast, is dus ook omdat ze zó
diep met duiken tijdens het werpen, dat ze met hun bovenlichaam over hun
triangulatiepunt heen raken. De betere judoka werpt, maar blijft ook
voor zijn triangulatiepunt, zodat hij zich weer kan oprichten.
Als kuzushi het
lichamelijke aspect is van balansverstoring, is triangulatie de
wiskundige formule die we gebruiken om vast te stellen welke afstand
nodig is om die balans te breken. (Gary Moro, Yachigusa-Ryu)
Kuzushi en de lijn naar het zwaartepunt
|
Kuzushi kan globaal in acht vastomschreven richtingen ontstaan,
maar in feite vormt het zwaartepunt ook het midden van een cirkel en
kan er natuurlijk in 360 graden
kuzushi ontstaan. Dat is eigen aan de exacte centrumfunctie van
het zwaartepunt.
Als een judoka beweegt, verschuiven de allesbepalende verhoudingen
tussen voeten, heupen en zwaartepunt.
De judoka maakt zichzelf
kuzushi door bijvoorbeeld bij het bewegen op de voeten niet snel
genoeg zijn voeten strak op de grond te zetten en de verticale lijn
naar zijn zwaartepunt te herstellen. Om die reden zal een goede
judoka niet met sprongen lopen, maar bijna zwevend, de voeten dicht
op de mat. Snel en soepel balans vinden is belangrijker dan grootse
bewegingen; die maken alleen maar sneller kuzushi.
Een judoka wordt kuzushi
gemaakt als de ander hem bijvoorbeeld door kumi-kata duwt of
trekt en zijn voeten loskomen, en de lijn naar zijn zwaartepunt de
verticaliteit verliest. Loutere kracht tijdens kumi-kata is
dus niet het enige; wie geduwd of getrokken wordt, moet op zijn
voetposities en zijn heupen letten. |
 |
Effectieve waza na kuzushi is helemaal afhankelijk van
reactiesnelheid. Alles rond kuzushi
heeft te maken met bewegen en herstel van afstemming op het zwaartepunt.
Omdat een judoka continu beweegt, moet hij zich ook continu
herpositioneren rond zijn centrum. Een ervaren judoka weet exact hoe hij
dat snel moet doen, ook als hij wordt aangevallen. Snelheid bij het
reageren is sowieso van niet-te-onderschatten belang. judo- en
randori-training leert de judoka om snel waar te nemen en meteen te
reageren via zijn zenuwstelsel en spieren. Een fractie van een seconde
te laat reageren, betekent direct onbalans en een kans voor de ander. Je
zou ook mogen zeggen dat elke tegenaanval, overname en de uiteindelijke
geslaagde waza een spel is van snel kunnen reageren op elkaars
kuzushi. Wie uiteindelijk nét te laat reageert, wordt geworpen. Dat
is mooi judo en helemaal volgens het principe van jū - zie
daarvoor verderop.
Het zwaartepunt ligt onder het
bovenlichaam, maar omdat het bovenlichaam niet onafhankelijk kan bewegen
van het onderlichaam, betekent een snellere beweging van het
bovenlichaam in verhouding tot de voeten,
kuzushi. Omgekeerd betekent een snellere beweging van de voeten in
verhouding tot het bovenlichaam, ook kuzushi.
Kumi-kata beïnvloedt de beweging van het bovenlichaam; aanvallen
op benen en voeten, of voetbewegingen in het algemeen, beïnvloeden de
bewegingen van het onderlichaam. Daarom is het zwaartepunt ook een soort
'kantelpunt'. Stel dat je iemand met zijn zwaartepunt zou kunnen fixeren
in de ruimte, kon je hem in alle richtingen ronddraaien als een bal.
Wie in balans is, kan niet vallen. Waarom? Omdat het zwaartepunt
verticaal boven de 'voetdriehoek' ligt. Dat vraagt om nadere uitleg. Het
heeft te maken met de
wet van de zwaartekracht. De lijn vanuit
het middelpunt der aarde (wat de werking van de zwaartekracht bepaalt)
loopt dwars door zijn zwaartepunt heen. De aantrekkingskracht vanuit de
aarde is dus in harmonie met het lichaam. Elke verstoring van de
verticale lijn - zelfs de kleinste - betekent dat de aantrekkingskracht
van de aarde vat krijgt op de rest van het lichaam of het deel wat
'uitsteekt' buiten de verticale lijn, bijvoorbeeld het bovenlichaam. Dan
gaat dat lichaamsdeel beginnen met vallen, en als het adequaat gebeurt
sleept die beweging de rest van het lichaam mee over zijn zwaartepunt
heen. Dat gebeurt tijdens kuzushi, kumi-kata
en nagewaza.
Kyuzo Mifune zou nu zeggen: de principes van judo zijn dus in harmonie
met de waarheid van het universum - dat is geen zweverige taal, maar
heel concreet en begrijpelijk op deze manier - letterlijk met beide
benen op de grond!
|
 |
Verdediging betekent in relatie tot van het
zwaartepunt: zo bewegen met het lichaam, dat de voeten hun
driehoekspositie houden en door het verlagen van het zwaartepunt (de
heupen iets laten zakken, benen licht buigen, zie de foto links)
flexibeler kunnen reageren of anticiperen op balansbewegingen van het
bovenlichaam. De aanval met een
koshiwaza gaat uit van hetzelfde principe: licht door de heupen
zakken, flexibel onder het zwaartepunt van de ander draaien, maar ook
nog kunnen reageren op een tegenaanval.
Over het algemeen geldt, hoe lager het zwaartepunt en hoe groter het
vlak waarop je staat, hoe moeilijker je iemand kunt werpen. Het
duidelijkste voorbeeld is: iemand die plat op de grond ligt, is niet
meer te werpen. Dat klinkt als redenering belachelijk, maar
natuurkundig is het helemaal waar.
Daarom is in newaza het kantelen van iemand die plat ligt,
alleen mogelijk door aangepaste techniek of mechanismen die de ander
zelf aan het rollen brengen. Het opnieuw werpen van iemand die ligt
is niet alleen verboden, maar dus ook dwaas. Randori newaza -
op de knieën beginnend - is daarom vanuit oogpunt van balans en
zwaartepunt heel interessant. (Het zou een studie extra waard zijn -
wie durft?) |
|
Om
dezelfde reden is de zogenaamde 'gebogen verdediging' (zie foto en ook
het menu 'kumikata') zo verwerpelijk. Het is tegen de geest van
judo omdat het spot met de natuurwetten en de verhouding van kuzushi
en het zwaartepunt. Het zwaartepunt blijft bij die houding te hoog
liggen, en het lichaam kan alleen op pure kracht voorkomen dat het
overhellend bovenlichaam voorover valt. Een judoka moest de ander die zo
gebogen staat eens plotseling kunnen loslaten. Dan zou blijken dat die
slechte
kumi-kata een vorm van 'wederzijdse
kuzushi' is, die louter op spierkracht evenwicht bewaart. Eigenlijk
is het beeld van twee gebogen judoka in zo'n kumi-kata qua
zwaartekrachtwerking net een stier die op vier poten staat. Stabiel
vanwege de vier poten, maar o wee als je ze in het midden scheidt... dan
vallen beiden zó voorover. Dat heeft met de nobele judoprincipes niets
meer te maken. |
 |
naar
boven
3. Toepassing kuzushi
en seiryoku zenyo in nagewaza
-
Kuzushi : in één van de
acht richtingen waarin het menselijk lichaam globaal kan bewegen,
verliest de judoka de eerder genoemde verticale lijn van voetdriehoek
naar het zwaartepunt en wordt prooi van de natuurwetten.
-
Seiryoku zenyo is dan: de
natuurwetten doen hun werk al, waardoor de judoka niet al zijn
energie hoeft te gebruiken. De beginnende valbeweging van de ander
doet de meeste arbeid. Er is zelfs een meetbaar moment waarop geen
enkele energie meer hoeft te worden geïnvesteerd en de ander
reddeloos kuzushi is.
-
Kumi-kata : de ander
aanvoelen in zijn beweging, waarna meebewegen en/of actief kracht
uitoefenen op het bovenlichaam. Kuzushi
scheppen of overnemen tijdens kumi-kata is: zorgen dat de
beweging van het bovenlichaam zodanig is, dat de lijn vanuit de voeten
naar het zwaartepunt van richting verandert.
-
Seiryoku zenyo is dan: tijdens
kumi-kata vooral reactief zijn op de kracht van de ander
(meegeven/meebewegen), oog hebben voor de valbeweging die vanuit de
natuur reeds is ingezet, en de kantelbeweging over het
gewichtszwaartepunt heen stimuleren met de kracht van de ander (hem
zichzelf laten kantelen).
-
Nagewaza : gebruik makend
van de kuzushi van de ander tijdens kumi-kata een
techniek toepassen die de wetmatigheid van beweging en zwaartekracht
versterkt of uitlokt - de juiste worptechniek in relatie tot de
geconstateerde
kuzushi. Regel: eerst kuzushi en pas dán worpinzet -
ofewel: nooit werpen zonder vooraf kuzushi !
-
Seiryoku zenyo is dan: bij de
waza optimaal gebruik maken van het zwaartepunt in jezelf en de
ander, zodat je de natuurlijke kantelbeweging van het lichaam
gebruikt - en het hefboomeffect. Techniek gebruiken overeenkomstig
de eerste wet van Newton (zie hieronder). Er is een moment in de
worp waarbij geen eigen energie meer hoeft te worden geïnvesteerd en
de val door de zwaartekracht vanzelf gaat. De enige energie die je
dan nog nodig hebt is: zorgen dat jij en de ander verantwoord op de
grond in osae-komi komen.
Kuzushi: duw als er
aan je getrokken wordt, trek als je geduwd wordt.
Waza: val voorwaarts
aan als er aan je getrokken wordt, val aan en draai in als je geduwd
wordt.
"Je moet een worp alleen
proberen in dezelfde richting waarin de balans van de tegenstander op
dat moment verstoord is."
Jigoro Kano, Judo Memoirs,
p. 36.
Toepassing van nagewaza en de beweging rond
het zwaartepunt
De
impuls van judotechniek in nagewaza is meestal een aanval op twee
fronten:
-
boven het zwaartepunt kracht zetten: kumi-kata en/of tewaza.
-
onder het zwaartepunt kracht zetten: aanval met ashiwaza of
koshiwaza.
-
beide krachten bewegen in tegengestelde richting rond het zwaartepunt
van de ander om het lichaam te kunnen laten draaien/kantelen.
In
combinatie met de altijd aanwezige kumi-kata-impuls boven het
zwaartepunt, is de techniek een hulpmiddel om de juiste beweging over
het zwaartepunt te maken:
-
Ashiwaza werken op de kuzushi-effecten van de benen en
voeten: ze vegen, haken of maaien been of voet zodat het evenwicht
definitief verloren gaat.
-
Koshiwaza werken op de kuzushi-effecten van het hele
lichaam, en draaien de heup (het eigen zwaartepunt) onder het
zwaartepunt van de ander om in de kantelbeweging het totale evenwicht
van de ander reddeloos te verstoren en hem te draaien over de heup.
-
Tewaza werken op de kuzushi-effecten van kumi-kata
(de handen en armen), eventueel versterkt door andere elementen als de
schouders (katawaza: seoi-nage, kata-garuma) of benen
(bijvoorbeeld
tai-otoshi). (N.B. Sommige tewaza werken dus alleen met
impuls boven het zwaartepunt, wat betekent: extra kracht investeren,
omdat je onder het zwaartepunt niets extra's kunt inzetten...)
-
Sutemiwaza werken op alle kuzushi-effecten tegelijk, en
optimaliseren alle krachten en natuurwetten in één meegaande beweging
van het hele eigen lichaam.
Goede kumi-kata
pakt hoog op de borst (revers) en laag aan de mouw om altijd flexibel te
kunnen duwen en trekken. Zowel de borst als de arm werken op het
bovenlichaam, rechtstreeks of via de schouder. Het kumi-kata-punt
ligt zo hoog mogelijk boven het zwaartepunt - het hoofd of de nek is
immers geen aangrijpingspunt - om met minder kracht meer effect te
kunnen hebben.
N.B. Sommigen spreken ook over kumi-kata onder de band, wat
inderdaad bij sommige tewaza zo lijkt. Technieken als
morote-gari, kibisu-gaeshi en kuchiki-taoshi maken daar
gebruik van. Niet voor niets gaat het hier om zgn. shinmeisho-no-waza,
later toegestaan door de Kodokan, en ofschoon deze worpen erg populair
zijn, is het een punt van discussie in hoeverre we hier te maken hebben
met een natuurlijke (geldige) kumi-kata, of een onderbroken
kumi-kata
tijdens de worp, vergelijkbaar met de wel zeer oorspronkelijke
Kodokan-techniek (sankyo) kata-garuma.
Stel dat je tegenstander
recht voor je staat. Als je dan een heupworp uitvoert moet je je eigen
heup tegen de onderbuik van je tegenstander duwen en je heup als een
steunpunt gebruiken – en hem werpen. Daarom moet je het steunpunt
hebben op een plaats waar de balans goed is. Als dat steunpunt op de
borst is, is het deel boven het steunpunt lichter dan het gedeelte
daar beneden. Tenzij je ontzettend sterk bent, zul je niet in staat
zijn om je tegenstander te werpen. Als het gewicht gelijk verdeeld is,
kun je je tegenstander gemakkelijk werpen. Je moet goed gebruik maken
van dit principe. Als je dat doet zul je in staat zijn om een
tegenstander te overwinnen die twee of drie keer zo sterk is.
(Jigoro Kano, Mind over
muscle, p. 44)
Toepassing van de eerste wet van Newton op
kuzushi en nagewaza
De
wet van de traagheid (eerste wet) is dat lichamen traag zijn (of inert):
ze willen hun bestaande bewegingstoestand behouden. Ze zijn óf in rust,
óf bewegen met een constante snelheid voort. De snelheid wordt afgeremd
door wrijving met de lucht, of de confrontatie met een object,
afhankelijk van de weerstand van de vorm. Denk aan een bal die geworpen
wordt, die aerodynamisch verdervliegt, soms vele meters ver.
Bij kuzushi en nagewaza
is met name het principe van continue snelheid van enorm belang. Een
judoka die aanvalt of door kuzushi in beweging is, beweegt zich
met een bepaalde snelheid voort. Die snelheid hoeft niet groot te zijn -
liever niet, dan gebeuren er ongelukken. Als er maar snelheid is. Het
lichaam wil van nature die matige snelheid voortzetten. Daarom is
gebruikmaken van het principe van
kuzushi zo energiezuinig: de natuurwetten - in dit geval de eerste
wet - doen hun werk al uitstekend. Als er eenmaal beweging is, beweegt
het lichaam verder in de ingeslagen richting als het onderweg geen
weerstand ontmoet. Bij kuzushi is precies de bedoeling dat het
lichaam gewoon verder omvalt in de richting van de gewenste techniek.
Nagewaza past deze wet toe in techniek die het lichaam van de
ander laat vallen over de snelheid van de beweging, door het lichaam te
vertragen of te blokkeren - door er een deel van het eigen lichaam
tussen te plaatsen. Denk aan het volgende voorbeeld:
Denk bij de wet van de snelheid aan het voorbeeld van een stadsbus.
Iemand die staat in de bus, moet zich vasthouden. Waarom? Als de bus
snel optrekt, schiet je naar achteren; als de bus flink remt, schiet je
naar voren. De eerste wet van Newton is: het lichaam beweegt zich met de
snelheid van de bus mee. Als die bus zijn snelheid verandert, kan het
lichaam dat niet meteen bijbenen en verliest zijn balans - en valt. Het
lijkt alsof je struikelt over de snelheidsverandering van de bus. Zo is
het ook met losse troep in de auto: als je remt, vliegen die naar voren
tegen de voorruit.
Als iemand kuzushi raakt en met een zekere snelheid in beweging
komt in een zekere richting, is waza als de rem van de bus.
Voorbeeld:
Uke wordt door kumi-kata naar rechtsvoor (migi-no-maesumi)
getrokken. Dan steekt tori zijn been voor
uke's rechterbeen. Tai-otoshi. Uke valt effectief
omdat zijn relatieve snelheid onder zijn zwaartepunt wordt
geremd/geblokkeerd door tori's been. Hij duikelt zo over zijn
zwaartepunt. Daarom is tai-otoshi véél effectiever met de
beentechniek dan zonder (zoals de worp als 'tewaza'
oorspronkelijk ontstond) en maakt het ook niet uit of het been strak
staat, of licht gebogen is. Als het been maar blokkeert. Zo bezien mag
je de latere tai-otoshi ook best een 'struikelworp' noemen.
Vooruitlopend op het volgende item: waarom is
tai-otoshi zo'n worp waarbij het
principe van seiryoku zenyo
optimaal wordt toegepast? Tori trekt tijdens kumi-kata uke
kuzushi. Uke gaat overhelllen en wordt onderhevig aan de
zwaartekracht.
Tori trekt met enige kracht verder in dezelfde richting
(meebewegen). Dat is de enige inspanning die nodig is! Gewoonlijk
gebeurt de eerste impuls en de vervolgimpuls in één beweging, waarbij de
kracht wordt gedoseerd (als het goed is). Eerst kuzushi
en dan de beweging voortzetten. Uke beweegt daardoor met een
zekere snelheid. Het been van tori remt de beweging, waardoor
uke
doorschiet over zijn zwaartepunt. Als uke over het kantelpunt is,
doet de zwaartekracht de rest. Het enige wat
tori perfect moet beheersen is: de juiste kracht tijdens
kumi-kata, de snelle en juiste reactie op
uke's kuzushi, en het been op de juiste plaats zetten. Dat is de
techniek - lijkt simpel maar is moeilijk genoeg. Maar je hoeft er dus
geen krachtpatser voor te zijn, alleen slim. De benodigde energie is
voor een heel stuk pure natuurwet !
Soms is tai-otoshi dus nóg energiezuiniger en dus beter (jū,
zie hieronder), als uke zichzelf
kuzushi heeft gemaakt, gewoon door een stap naar voren met het
rechterbeen, of bijvoorbeeld door een mislukte aanval of na een
verkeerde beweging of kaeshiwaza. Als vervolgtechniek kan tori
tai-otoshi toepassen op elke kuzushibeweging van uke
naar rechtsvoor. Dan hoeft tori's kumi-kata minder krachtig te
zijn. In de ideale situatie gebruikt tori tai-otoshi niet omdat
die worp toevallig altijd wel effectief is of een favoriete techniek,
maar als snelle reactie op een beweging van
uke. Als uke een andere beweging maakt waardoor hij even in
een andere richting kuzushi wordt, kiest tori een andere
aanval. Als de beweging van uke bijvoorbeeld het midden houdt
tussen rechtsvoor of vooruit kuzushi, kan tori ook kiezen voor
een scherpere eigen draai en de beweging van uke overnemen in een
worp als harai-goshi.
We komen op dit voorbeeld terug bij het bespreken van 'het werpen van
zwaardere judoka'.
Als je tegenstander op een
ontspannen manier staat of een beetje voorover leunt, pas je je aan
aan die stabiele stand, en duw je je heup diep tegen hem aan, leg je
je hand op de heup van je tegenstander en trek je hem in jouw
richting. Je heup wordt zo een steunpunt. Vervolgens beweegt het
gewicht van je tegenstander boven zijn heup in de richting van jouw
steunpunt en het gewicht onder zijn heup trekt zich terug. Als dat
gewicht eenmaal over je heup is, draai even met je heup of trek aan
zijn mouw en ongeacht hoe groot je tegenstander is – hij zal worden
geworpen.
(Jigoro Kano, Mind over
muscle, p.42)
Als iemand een
gedetailleerde vergelijkende studie zou maken tussen traditioneel
jujutsu en Kodokan judo, worden de grote verschillen tussen beide
systemen meteen duidelijk. Bijvoorbeeld, sommige jujutsu-meesters
hebben beweerd dat er veel meer been- en heupworpen in het Kodokan
judo repertoire zijn, dan in de meeste traditionele jujutsu-stijlen.
Het essentiele punt van verschil is echter, vooral de manier waarop de
balans van de tegenstander wordt aangepakt. Deze taktieken zijn uniek
voor Kodokan judo. Ongeachte welke techniek wordt toegepast, alleen
nadat de balans van de tegenstander met succes is verstoord, kan
iemand een aanval doorzetten.
(Jigoro Kano, Judo
Memoirs, p. 37)
naar
boven
4. Jū, kuzushi en
seiryoku zenyo
Jū wordt vooral effectief als kuzushi wordt toegepast.
"Jū" betekent: natuurlijk
zijn, of in andere woorden: de weg die
natuurlijk is en in harmonie met de waarheid van het universum en die
menselijke wezens moeten volgen.
judo is
gefundeerd op de flexibele daden van lichaam en geest. Het woord
flexibel betekent echter nooit zwakheid, maar meer iets als
aanpassingsvermogen en geestelijke openheid. Zachtheid overwint altijd
macht.
Kyuzo Mifune
Het principe van Jū (柔) is de basis
voor alle klassieke
Budosporten. Wie handelt volgens het principe van jū is in
staat altijd met de juiste kracht te reageren op een aanval. Het
principe is: beweeglijkheid en flexibiliteit, zowel geestelijk als
lichamelijk. Een judoka is zowel geestelijk als lichamelijk in staat
zich aan te passen aan welke situatie dan ook.
Het principe van jū behelst twee dingen:
1) Meegeven. Het eerste principe van meegeven betekent, dat als een
ander aanvalt, je die aanval niet tegengaat met dezelfde kracht of
tegenstand. In relatie tot de energiestroom betekent het, dat je de
energie opneemt en overneemt om hem te gebruiken tegen de ander. Op
die manier wordt de energie van de aanval geneutraliseerd en omgezet
in de energiestroom van de tegenaanval door jezelf. De energie die in
de eigen (tegen)aanval wordt gestoken zal in normale gevallen niet
veel groter zijn dan de opgevangen energie van de aanval door de
ander.
2) Weerstand bieden indien nodig. Er zijn situaties waarbij de aanval
van een ander niet kan worden overgenomen omdat zoiets rampzalig zou
uitpakken. Dan moet er even tegenkracht worden ingezet. Maar dat is
een zeer kort, afgebakend moment, wat alleen wordt toegepast als het
niet anders kan. Meteen als die weerstand effect heeft gehad, wordt
weer teruggegschakeld naar het meegeven.
Technieken waarbij het principe van jū worden toegepast noemt men
ook wel 'zachte technieken' - waar ook de gebruikelijke uitleg van judo
als de 'zachte weg' op teruggaat.
Aan de buitenkant is soms moeilijk om het onderscheid te maken tussen
zachte en harde technieken. Het verschil zit hem ook niet in de techniek
zelf, maar in de manier waarop deze wordt uitgevoerd. De norm voor
zachtheid is: er wordt nooit meer kracht uitgeoefend dan strikt
noodzakelijk.
Voorbeeld: tomoe-nage. Als
uke
tegen tori aanduwt, laat tori zich vallen, trekt hem over
zich heen door zijn been onder het zwaartepunt van uke te zetten
en hem te werpen. De duwbeweging kan dan rechtstreeks van uke
komen (als actie) of na een duw door tori (als reactie). Maar het
feit dat de kracht van uke komt, en hij daardoor kuzushi
wordt, maakt de toepassing een jū-techniek, zacht. Als tori
uke op volle kracht over zich heentrekt tijdens kumi-kata,
zonder duw van uke, noemen we het geen zachte techniek meer. Het
eerste is dus wel judo, het tweede eigenlijk niet. Maar maak dat maar
eens helder aan een judoka die er een vette ippon mee scoort.
Ander voorbeeld: tai-otoshi,
zoals eerder vernoemd. Als de techniek tijdens kumi-kata uitgaat
van een mooie verrassingsaanval door tori en deze uke met
volle kracht kuzushi trekt vanuit de gewone rechte stand (wat de
meesten doen bij tai-otoshi) is de techniek niet jū. Als
het een gepaste reactie is op uke die zichzelf kusushi
maakt door een verkeerde beweging of reactie op een duw van tori,
of een verkeerde beweging met zijn rechterbeen, dan is het wel een
zachte techniek. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat tai-otoshi
oorspronkelijk niet ontworpen is met de bekende beentechniek, wat
eigenlijk bijna een ashi-waza van deze techniek maakt. Als
te-waza is het oorspronkelijk een worp die puur uitgaat van de
kuzushi van uke, en heel weinig kracht in de armen vraagt.
Extreem jū dus. (Zie ook: Wilfried Visser: "The Role of Unbalancing in
Judo Class", paragraaf 6.4.
http://www.judoinfo.com/kuzushi1.htm)
Nog een ander voorbeeld, gezien tijdens een
toernooi in Nederland, februari 2008: hikikomi-gaeshi.
Tori valt aan, probeert kumi-kata, maar uke duikt
onder zijn armen door, waarschijnlijk uit angst of om een morote-gari
te proberen. Terwijl uke vooroverbuigt komt zijn rechtervoet los
van de mat. Tori buigt over uke heen, duwt hem een héél
klein beetje verder naar beneden en pakt diens band. Uke staat nu
op zijn tenen, helemaal kuzushi en over zijn meetkundig valpunt
heen. Tori geeft een kleine korte ruk aan uke's band,
tori laat zich vallen, uke tuimelt spontaan voorover en
tori trekt met die beweging uke verder in een rol. Beloond
met ippon. Als tori uke zonder diens kuzushi met
deze techniek had willen pakken, was dat waarschijnlijk niet gelukt,
maar ook niet jū geweest. Want dan was de kracht bij de ruk aan
de band te groot geweest, en dus een harde techniek.
Het principe van jū is in relatie tot kuzushi :
-
Natuurlijkheid = seiryoku zenyo: zo min mogelijk spierenergie,
en zoveel mogelijk inspelen op de werking van de natuurwetten. Denk
aan het citaat van Mifune: judo is in overeenstemming met de waarheid
van het universum. Wie dat voelt en toepast doet aan jū-do.
-
Openheid: tijdens kumi-kata aanvoelen wat er gebeurt bij de
ander en daarin meebewegen. Goed voelen en waarnemen en daarop
inspelen. Het principe: "Duw als er aan u getrokken wordt en trek als
u geduwd wordt." Dat schept bij de ander kuzushi, op basis van
diens eigen kracht/beweging.
-
Zachtheid: wie veel kracht toepast, verstrakt de spieren en verraadt
zichzelf tijdens kumi-kata - en wordt dus eerder kuzushi.
Wie zich beheerst in kracht, voelt meer wat de ander doet en werkt
energiezuiniger - en houdt bovendien nog genoeg reserve voor
vervolgtechniek.
-
Flexibiliteit: wie soepel in balans is, kan zich snel bewegen als de
ander of hijzelf kuzushi raakt: soepel aanvallen én verdedigen!
Denk aan Kyuzo Mifune zelf: hij was tijens randori ongrijpbaar
omdat hij zo flexibel was als een spook! Wie flexibel aanvalt, vecht
niet alleen met domme kracht, maar vooral met soepel inspelen op de
beweging van de ander. Wie flexibel is, raakt bovendien minder snel
zelf kuzushi omdat balans soepel kan worden hersteld. Een star
lichaam verliest snel de verticale lijn: hij valt als een plank.
Daigaku Judo Dojo (MT USA) zegt: "Jū en kuzushi zijn niet
hetzelfde. Jū is een strategie. Kuzushi is een tactiek."
Dat kunnen we nu begrijpen. Wie tactisch gebruik maakt van kuzushi,
hoeft tijdens kumi-kata en nagewaza nooit overdreven veel
energie of kracht te gebruiken. De beweging en impuls is afgemeten, maar
minimaal, omdat de werking van de natuurwetten zoveel werk uit handen
neemt. Dat strategische inzicht (jū) en die praktische toepassing
(kuzushi) is de essentie van seiryoku zenyo in judo.
Seiryoku zenyo: zwaardere judoka werpen
Laten we aannemen dat ik
een tegenstander heb die kracht heeft met de waarde 10. Ik heb zelf
tegenover hem slechts kracht met de waarde 7. Als mijn tegenstander
mij slaat met al zijn energie, zou daaruit volgen dat als ik weerstand
biedt zal worden overwonnen, zelfs als ik al mijn kracht inzet. Als ik
echter geen weerstand bied aan mijn krachtige tegenstander en ik me
aanpas aan zijn energie en terugtrek, zal hij voorver vallen door de
kracht van zijn eigen aanval. Zijn kracht van 10 zal niet veel meer
zijn dan een kracht van 3 en hij zal struikelen en zijn balans
verliezen. Ik zal niet uit balans worden getrokken en kan wegstappen,
mijn positie bewaren en mijn originele kracht van 7 hernemen.
Kort gezegd: je zult
verliezen als je een sterkere tegenstander weerstand biedt, terwijl
aanpassing aan- en wegduiken voor zijn aanval zal leiden tot het
verlies van zijn balans. Zijn kracht zal verminderen en je zult hem
verslaan. Dit kun je toepassen op om het even welke
krachtsverhoudingen. Daarom kunnen zwakkere tegenstanders in staat
zijn om beduidend sterkere tegenstanders te verslaan. Dat is de
theorie van jū yoku go o seisu.
(Jigoro Kano, Mind over
muscle p.39-40)
Kuzushi maakt het mogelijk om - gebruik makend van de
natuurwetten - veel zwaardere judoka te werpen dan volgens normale
energie-verhoudingen mogelijk zou zijn.
Op loutere spierkracht kan een judoka nooit winnen van een zwaardere
tegenstander. Ook dat is een wet van Newton (de tweede): beweging wordt
gestuurd door snelle kilogrammen (impuls). Maar ook de derde wet van
actie/reactie. Denk maar aan boksen: de vuist van iemand van 100 kilo
verbrijzelt iemand van 50 kilo bij een zware maagstoot. Omgekeerd doet
de vuist van iemand van 50 kilo niet veel bij iemand van 100 kilo. De
kracht die wordt uitgeoefend is namelijk de optelsom van snelheid en
massa/gewicht. Maar het is niet alleen een kwestie van actieve kracht,
maar ook van reactieve. De kracht komt aan op een lichaam dat niet
vergelijkbaar is qua massa. Als de vuist met 100 kilo tegen 50 kilo
knalt, wordt 50 kilo gelanceerd omdat de reactie slechts de halve kracht
is van de actie. Omgekeerd verzwikt de bokser van 50 kilo zijn vuist als
zijn actie de reactie krijgt van 100 kilo tegenmassa.
Voorbeeld: zo is het ook bij aanrijdingen
van auto's. Twee Suzuki Alto's die botsen met 50 km/u, kreukelen
ongeveer gelijk. Als die Alto echter tegen een zware vrachtwagen
aanrijdt met dezelfde snelheden, blijft er van de Alto (en van de
bestuurder) niets over, terwijl de vrachtwagen mogelijk alleen lakschade
heeft. Kracht is niet alleen snelheid, maar vooral gewicht en de
natuurkundige reactie van het object waar het mee in aanraking komt.
Zo is het ook in judo. Een zwaardere judoka duwt een lichtere zó omver.
Of smijt hem gemakkelijk over de tatami. Tenzij... de zwaardere
wordt verhinderd zijn massa in te zetten omdat de massa na kuzushi
prooi wordt van de zwaartekracht en de wetmatigheden rond zijn
zwaartepunt. In dat geval kan hij zijn spierkracht en massa wel hébben,
maar niet optimaal meer benutten. Een bokser kan ook niet effectief
stoten als hij op één been staat - de kracht komt immers ook uit zijn
voeten. Een zware judoka die kuzushi is, heeft veel last van zijn
gewicht. Gewicht is een nadeel voor het corrigeren van de verhouding tot
je zwaartepunt. Want hoe meer kilo's er boven het zwaartepunt gaan
uitsteken, hoe harder de zwaartekracht er aan gaat trekken. De wet van
de zwaartekracht leert bovendien dat er veel meer energie nodig is om
zwaardere voorwerpen te verplaatsen dan lichtere. Een zware judoka die
zijn voeten moet verplaatsen, moet daar veel meer energie in stoppen.
Als hij kuzushi raakt, moet hij veel meer investeren om zich te
corrigeren.
Als een zwaardere judoka dus loskomt van de grond bij een stap of
beweging, is hij kwetsbaarder voor kuzushi dan iemand die lichter
is, zeker als de gewichtsverhoudingen niet gelijk zijn. Wie dat
doorheeft, neemt bij een zwaardere tegenstander het initiatief nét op
het moment dat hij zich kwetsbaar maakt op de voeten en uit balans
raakt. Dan is wel behoorlijk wat kracht vereist, maar dat is geen punt.
judoka zijn weliswaar niet overdreven sterk, maar ook niet slap.
Judotechniek en kracht (impuls) betekenen altijd: kort en hevig. Bij een
worp wordt even de maximale kracht uitegoefend - en omdat die kracht dan
zo groot is, kan zelfs een zwaar lichaam er met een behoorlijke snelheid
door in beweging worden gezet. Als de balans van de zwaardere bovendien
niet optimaal (meer) is, is zijn massaverdeling verstoord en werken de
wetten van gewicht en snelheid niet meer in zijn voordeel. Er is dan nog
wel massa, maar geen adequate (tegen)beweging - omdat de beweging niet
gevoed wordt vanuit de balans in de basis. De oude Chinese gevechtskunst
Taiji kent daarom zelfs het principe dat massa in beweging gewichtloos
kan lijken.
Dat is dus de kern van de natuurkundige judowet van
kuzushi - met minder kracht toch werpen! Dan is een kleine duw tegen
een zwaar bovenlichaam of een sublieme worp met hefboomeffect voldoende.
De ander kan vanwege zijn kuzushi
niet meer een gewichtige tegenreactie geven, zijn zware lichaam
wordt snel door de aarde aangetrokken en zijn ondergang is compleet.
Voorbeeld: wederom
tai-otoshi. Uke is 80 kilo, Tori 65 kilo. Uke
duwt tijdens kumi-kata hard naar rechtsvoor en beweegt dus met de
volle 80 kilo vooruit. Hij ontmoet bij tori maar 65 kilo
reactiekracht, dus zijn snelheid wordt niet volledig geremd. Daardoor
wordt hij extra kuzushi migi-no-maesumi. Tori hoeft dus niet zijn
(onvoldoende) kracht te benutten om uke kuzushi te trekken. Het
verschil van 15 kilo lichaamsgewicht krijgt tori van uke
cadeau in diens kuzushi-duw. Maar hij 'trekt' wel met de volle 65
eigen kilo's met de zware beweging van uke mee, zorgend dat hij
zelf niet kuzushi wordt door het 'overwicht' van uke's
duw. We noemen dat 'trekken', maar in feite is het meer mee-geven met de
kracht van uke! Effectief heeft tori dus zijn eigen 65 kilo + de
15-kilo-rest van uke's beweging. Daarom kan hij nu de 80 kilo van
uke werpen. Daarbij moet tori het ook hebben van zijn
flexibliteit en zijn eigen snelheid, waarbij zijn lichtere gewicht in
zijn voordeel is! Zo steekt tori zijn been voor
uke's rechterbeen. Uke valt effectief omdat zijn
relatief-hogere snelheid onder zijn zwaartepunt wordt geblokkeerd door
tori's been. Hij duikelt over zijn zwaartepunt en kan zich door zijn
grotere gewicht moeilijk overeind houden.
Het lijkt een simpel rekensommetje in het voorbeeld van deze
tai-otoshi. Er is natuurlijk wel iets op te zeggen. Maar globaal
klopt het en sommige dingen moet je simpel houden om het principe te
begrijpen. De natuurkundigen maken er maar een betere som van, met alle
fomules.
Volgens Jigoro Kano is kuzushi daarom het tactisch principe om
judo te doen ondanks grotere gewichtsverschillen. Seiryoku
gebruiken zonder grote tairyoku
(spierkracht) is de enige goede manier om judo te doen. Sterke judoka
hebben namelijk niets meer aan hun kracht als ze hun balans niet
optimaal weten te houden.
Als je energie verstandig
laat werken, kun je iemand die veel meer kracht heeft bij wijze van
spreken met één vinger tegen de grond krijgen. Als zijn balans slecht
is en hij ontspannen is, zal hij vallen, ongeacht van welke kant je
hem duwt. Als hij al zijn energie gebruikt om voorwaarts te bewegen,
kun je die kracht niet weerstaan en terugduwen. Maar als je duwt of
trekt in de richting van zijn kracht zal dat er toe leiden dat zijn
balans wordt gebroken en op dat moment kun je hem verslaan. Zelfs als
je tegenstander twee of drie keer zo sterk is – als je op precies op
het moment dat hij uit balans is je beweging inzet, kun je hem
gemakkelijk werpen door iets eenvoudigs als hem te laten struikelen.
(Jigoro Kano, Mind over
muscle p.44-45)
Ukemi en het principe van jū
Voor een beginneling die een paar lessen neemt, kan ukemi
(valtechniek) lijken op een soort basisprincipe van netjes vallen als
je geworpen wordt, om blessures te voorkomen, en overmatige druk op
het lichaam te vermijden.
Toch is ukemi meer.
Ukemi is een speciale soort van tai-sabaki.
Ukemi is een demonstratie van jū.
Waarom is dat? Als een partner je werpt, was zijn tsukuri goed,
er was kuzushi en je verliest je balans; hij gaat in de kake-fase
en werpt je op de juiste manier. Je gaat vallen en dat weet je. In
feite hoef je het niet te weten, je lichaam zou het vanzelf moeten
voelen. Wat doe je dan? Klamp je je aan tori vast met je hele
lichaam om zo je leven te redden? Word je stijf als een stenen beeld
zodat je op wonderbaarlijke wijze niet geworpen wordt? Steek je je arm
uit naar de tatami en bid je dat je arm sterk genoeg is om het
gewicht van je lichaam te weerstaan, in de hoop dat je lichaam de
tatami niet zal raken?
Nee! Je moet accepteren dat je wordt geworpen en dat je op de
tatami zult vallen, met je hele lichaam en niet alleen met je
handen en je voeten. Je moet je ukemi goed uitvoeren. En dat
vraagt vaardigheid, je lichaamspositie, het plaatsen van armen en
benen, hoofd en nek en het juiste doen (kijken naar de knoop in je
band), en vasthouden aan tori's revers om je val te
controleren, je lichaam ontspannen, de impact van je val verdelen over
je lchaam, niet opgewonden te raken, Kiai voelen als je dat
nodig hebt en dan goed rollen. Er kan nog meer op de lijst staan.
Dat is jū. Geen weerstand bieden aan de zwaartekracht. De
realiteit aanvaarden dat je valt. Maak het beste van je val, een
ervaring. Raak je gewond? Heb je pijn? Nee. Weet je hoe je bent
geworpen? Wat ging er goed en verkeerd? Wat heb je geleerd van de
worp? (...)
Vanuit Aikido kan je leren, dat ukemi is een manier om balans
te herstellen vanuit een staat van kuzushi. Ukemi is een
actieve handeling, niet een passieve.
Ik vroeg mijn sensei om dat te tonen. Hij vroeg me een o-goshi
te doen op hem. Ik deed het. Ik bewoog hem uit balans naar voren, op
zijn tenen. Ik ging de kake in met de klassieke o-goshi
vorm. Op dat moment was hij duidelijk in staat van kuzushi en
op het punt door mij te worden geworpen. Ik ging door. Toen voelde ik,
wat alle judoka zouden moeten herkennen, dat er iets mis ging. Niet
dat mijn sensei de worp stopte. Hij liet me doorgaan. Voor ik het
echter besefte, drukte er iets op mijn heup zo sterk dat ik zelf viel.
Ik keek op en zag mijn sensei nog steeds taan, precies waar hij was
toen ik de worp inzette. Wat er gebeurd moest zijn, was een
plotselinge verplaatsing van zijn zwaartepunt. Hij verklaarde me dat
ukemi niet alleen 'buiten' het lichaam gebeurt, maar ook
'binnen' waar het zwaartepunt is. Het is alsof je zwaartepunt duikelt.
In relatie tot ukemi en jū, moeten we ook denken het
concept van wu-wei 無為 (gewoonlijk letterlijk vertaald met
"niets doen". Ukemi is een voorbeeld van actieve wu-wei
(een paradox?). In de geschriften van Zhuangzi staat het volgende
voorbeeld in verband met ukemi:
"Als een dronkaard valt, kan hij gewond
raken, maar niet doodvallen. Zijn botten en ledematen zijn hetzelfde
als die van andere mensen, maar de mate waarin hij gewond raakt is
anders omdat zijn geest niet verdeeld is. Hij nam niet waar dat hij
ging vallen. Het kwam niet in hem op dat hij buitelde, of angst dat
hij zou sterven kwam hem niet voor de geest, en daarom bood hij geen
weerstand om zich te beschermen toen hij tuimelde. Als eenvoudig
wijn drinken als zo'n effect kan hebben, wat dan als iemand
onverdeeld uit de hemel valt?"
Natuurlijk hoeft niemand dronken te worden om judo te kunnen doen. Wat
deze passage (en andere leringen van het Taoisme) wil aanduiden is,
dat de ukemi die we doen, moet zijn dat we ukemi doen
zonder dat we denken aan ukemi. Laat ukemi een deel van
de natuur zijn. Dat is jū.
Kaji, Judoforum 16-4-2008
naar
boven
Wat als de principes niet worden toegepast?
Veel kracht (tairyoku) gebruiken leidt er toe dat:
-
Spierkracht de strategie achter kuzushi wordt. Niet de natuur
doet dan zijn werk, maar louter de opgewekte bewegingsenergie. Zo
wordt veel energie nutteloos verspild en komen sterke judoka
onderling nauwelijks tot effectieve waza, maar alleen tot
golden scores...
-
De judoka verstart. De spieren spannen samen, in plaats van een open,
natuurlijke houding te zoeken. Verdediging en beweging is dan alleen
nog mogelijk met nieuwe investering van kracht. Kans op blessures
nemen toe, naarmate spieren overdreven worden belast of anderen te
grote krachten moeten opvangen.
-
Het principe van de kracht van een ander wordt instinctief ingewisseld
voor kracht door weerstand.
-
De energiewerking tijdens kumi-kata wordt dusdanig groot, dat
het overnemen van energie zulke hevige effecten teweegbrengt, dat veel
judotechniek niet meer volgens de principes kan plaatsvinden - die
technieken zijn daar simpelweg niet voor ontworpen!
-
Hetzelfde geldt voor de judogi. Wie zeer krachtige kumi-kata
toepast, trekt de jas zo uit de band - de vorm van het pak met band is
niet geschikt voor grote krachten.
-
De judoka maakt niet meer gebruik van het natuurlijke
gewichtszwaartepunt bij zijn techniek. Dat leidt tot nieuwe technieken
die aangrijpen op plaatsen die ver van het zwaartepunt verwijderd zijn
(armen, benen, broekspijpen!) en met maximale kracht werpen.
Judoka die zo vechten, zondigen op alle punten tegen het principe van
seiryoku zenyo en de natuurlijke weg (jū). Het is dan niet
teveel gezegd dat krachtig judo in essentie geen judo meer is.
naar
boven
5. Conclusie
Kortom: het principe van kuzushi en seiryoku zenyo horen
totaal bij elkaar in het toepassen van goede en oorspronkelijke
judotechniek. Zonder kuzushi is er alleen maar overdreven
krachtpatserij en energieverspilling. Zo komt de stelling uit:
Kuzushi is de praktische essentie
van seiryoku zenyo.
De
voorbeelden die genoemd worden, zijn uiteraard allemaal gekozen uit de
oorspronkelijke Kodokan-technieken van Jigoro Kano. Niet voor niets.
Juist in de echte klassieke judotechnieken speelt kuzushi de rol
die ze heeft in judo. Het zijn mooie worpen, energiezuinig, mits goed
uitgevoerd...
Mitesco hoopt dat met name deze uiteenzetting over kuzushi, in
relatie tot de vele morele aansporingen van Jigoro Kano en Kyuzo Mifune
met betrekking tot het 'basisprincipe voor menselijk gedrag', de
judoka-lezer er van overtuigen dat we met
judo een schat in handen hebben, als we hem maar weer toepassen volgens
de oorspronkelijke principes van de grondleggers. Geen techniek zonder
kennis van de mens, de natuurwetten en de pincipes van jū en
kuzushi !
Fundament is en blijft dan: judo is een weg - moreel en praktisch - die
altijd jū is, en volgens de fundamentele toepassing van
seiryoku zenyo, kuzushi en waza leidt naar het hoger doel van
de jita kyoei.
Daarom heeft Mitesco deze webpagina gemaakt. Als ideaal-judo. In de hoop
dat het wordt toegepast.
Leesvoer - allemaal
Engelstalig
Tip:
Wilfried Visser (4e dan) sensei
bij Bos en Meester, schreef in 1997 een werkelijk prima artikel
over kuzushi: "The Role of Unbalancing in Judo Class". In
het Engels dus, dat wel...
http://www.judoinfo.com/kuzushi1.htm.
Mitesco heeft het helaas nergens in het Nederlands kunnen
vinden !
Tip:
Een kortere introductie geeft Neil
Ohlenkamp in: "The Study of Kuzushi or "I'm falling and I can't get
up" op
http://www.judoinfo.com/kuzushi.htm
naar
boven
Bron: - graphic in nr.1 (happo
no kuzushi) uit: "The Secrets of Judo", Jiichi Watanabe and Lindy
Avakian, 1960.

|
klik om te reageren
op mitesco |
 |
|
Dese site is geoptimailseerd
voor gebruik
door MS IE7 of Mozilla
Firefox 2.x
Resolutie 1024x728 pixels.
©
MITESCO.NL
2008-2011
Alle rechten voorbehouden.
|
|