website metrics

 

  Menu

 

  Waarom?

 

  Geschiedenis

  indeling:

   Kano

   Kodokan

   Butokukai

   Judolegenden

   Nederlands judo

 

  Mind over Muscle

 

  Seiryoku Zenyo

  toepassingen:

     deugd

     orde

     strategie

     beheersing

     kuzushi

    

  Jita Kyoei

  toepassingen:

     opvoeding

     respect        

     beschaving

     sportiviteit

     de 'dō'

     

  Judo-praktijk

  indeling:

     sport ?

     kata

     kumi-kata

     shiai

     arbitrage

     kinderjudo

     studie

     herbronning

 

  Koppelingen

 

  E-Cards

 

 

 

 

  

 

Kumi-kata : goede grip als basis voor goede techniek

 

 

1. Houding en grip : basis voor goede techniek

 

 

a. Shisei - houding.


In het judo hebben we te maken met veel verschillende houdingen, waarbij in tachi-waza de houdingen rechtop van belang zijn, en in ne-waza de houdingen op de grond. Wij hebben het in dit verband over de rechtopstaande houding. In het algemeen:


     - Shizen-tai (natuurlijke houding) (自然体)
            - Shizen-hontai: Voeten op schouderbreedte en op gelijke hoogte
            - Migi-shizentai: Rechter voet + 1/2 voetlengte vooruit
            - Hidari-shizentai: Linker voet + 1/2 voetlengte vooruit
     - Jigotai (verdedigingshouding) (自護体)
            - Jigo-hontai: Voeten iets breder dan schouderbreedte en op gelijke hoogte, heupen iets naar beneden brengen,

                knieën licht gebogen.
            - Migi-jigotai: Rechter voet + 1/2 voetlengte vooruit
            - Hidari-jigotai: Linker voet + 1/2 voetlengte vooruit
 

Dit is de belangrijkste houding en het fundament van judo training. Het is een gemakkelijke en natuurlijke houding, die de natuurlijke vorm van het lichaam uitdrukt. Zet je tenen een beetje naar buiten, ontspan de schouders en span niet de heup en kniegewrichten.

Kyuzo Mifune The Canon of Judo

 

Het kan worden gezegd, dat het menselijk lichaam, als het rechtop staat, in balans is als het bovenlichaam, rechtop staand, zich direct boven de voeten bevindt. Het is echter zo, dat het menselijk lichaam zo werkt dat, als er aan getrokken wordt, of geduwd (vooral het bovenste deel), het niet gemakkelijk is om de balans terug te vinden zonder de voeten te bewegen. Daarom worden in judo de voeten ongeveer 45 cm. uit elkaar gezet, zodat ze een solide basis vormen voor het lichaam, en snel en soepel kunnen bewegen en het gewicht van het lichaam gemakkelijk verplaatst kan worden als de omstandigheden dat vereisen.

 

Gunji Koizumi Twelve judo throws and tsukuri (1948)

De ideale houding om judoworpen uit te voeren is een natuurlijke houding, rechtop, met de knieën licht gebogen, het hoofd midden boven de heupen en de voeten onder de heupen en op schouderbreedte. Kijk niet naar uw voeten, maar naar uw tegenstanders middel of daarboven. Bewegingen met de heupen verraden de bedoeling van uw tegenstander beter dan zijn voeten of handen, waarmee vaak schijnbewegingen worden gemaakt. In de ideale judohouding kunt u vrij bewegen en bent u stabiel en in balans. Als u rechtop staat, kunt u het strijdveld overzien, voorkomt u dat u wordt gedomineerd en heeft u de maximale vrijheid om zo nodig spontaan te reageren. Een overmatig defensieve, voorovergebogen houding wordt bestraft omdat deze actie tegenhoudt.

 

Neil Ohlenkamp, Handboek Judo blz.47

b. Kumi-kata - het vastgrijpen.


Voor het vastgrijpen van de ander hebben we geen vastgestelde grepen. Toch is er een soort algemene kumi-kata, waarmee de judoka de ander kan voelen wanneer de ander uit balans is (of wordt gebracht), zodat hij de technieken kan inzetten, en boven alles: kan voelen wat de ander van plan is. Beiden grijpen daarom met de rechterhand elkaars linker revers en met de linkerhand elkaars rechter mouw, ter hoogte van de elleboog. (Rechtshandige uitvoering) De rechterhand zal dan tillen (tsurite) en de linkerhand trekken (hikite).

 

N.B. Er is ook de variatie waarmee Wim Ruska groot werd: met beide handen de revers vastpakken (double-lapel grip). We gaan daar om praktische redenen niet op in hier, de principes werken hetzelfde, al kan de ander minder gemakkelijk aanvoelen welke techniek er gaat aankomen, en links of rechts.

 

Tot zover is alles duidelijk. In theorie.

 

c. Het gevoel van kumi-kata.

 

Goede grip heeft alles te maken met de volgende factoren:

  • ervaring: pas na langdurig oefenen heeft een judoka de juiste balans gevonden tussen wat hij voelt, en wat hij kan doen met zijn kumi-kata.

  • kracht: de juiste balans tussen grijpen, loslaten, kracht zetten of ontspannen, maakt dat de judoka kan wisselen tussen ervaren, reageren, bewegen met het lichaam (omwille van de kuzushi) of vastigheid (bij de worp).

  • ontspanning: pas als de handen en de armen vrij zijn van kramp of stress, is de greep ongrijpbaar voor de ander en vrij voor de judoka om ermee te handelen.

  • de strakheid van de judojas. Een goede jas geeft grip, maar een losse jas die om het lichaam zwiebert, misleidt de bewegingen.

 

Er is daarom geen toverformule voor een goede kumi-kata te geven. Het hangt af van de ander welke grip de beste is voor dat moment en welke techniek. Alleen al het gegeven dat er een linkshandige partner kan zijn, betekent een andere greep (aiyotsu bij gelijke greep; kenka-yotsu bij een ongelijke greep van een rechts- en linkshandige). Verschil in lichaamslengte betekent ook een verschil in de hoogte waarmee iemand de ander kan vastgrijpen. Daarnaast heeft elke techniek een eigen ideaal 'aangrijpingspunt' waarbij de krachten ideaal kunnen worden geleid.

 

Het belangrijkste echter van kumi-kata is, dat de handen werken als antennes. Dat is niet gemakkelijk uit te leggen op een webpagina. Met de handen en vingers voelt de judoka tijdens de kumi-kata wat de bedoelingen van de ander gaan zijn. Hij voelt de bewegingen, zowel wat hij in de tillende of trekkende hand van de ander merkt, als wat hij zelf bespeurt met zijn eigen handen. De hand waarmee hij schrijft is niet alleen de krachtigste hand (normaal gesproken) maar ook de hand waarin het natuurlijk gevoel het sterkste aanwezig is. Die hand pakt de revers (of hoger de kraag) van de ander vast en ervaart daarin op een natuurlijke manier de hele beweging van het bovenlichaam op een speciale manier. Dat verraadt wat de armen soms verbergen. Het belangrijkste is: balans. Als de ander namelijk door het buigen of strekken van de armen beweging voorbrengt bij jou, dan kan het zijn dat zijn bovenlichaam nog steeds perfect recht boven het zwaartepunt ligt. Tegelijk kan het bovenlichaam niet stil blijven als de ander zijn armen flexibel laat meebewegen, maar hij ondertussen op zijn voeten beweegt. Wat de ogen niet allemaal tegelijk kunnen zien, kunnen de handen waarnemen in de pakking: hoe het lichaam in balans blijft (of niet) als het boven en onder voortdurend beweegt. De combinatie van de beweging die wordt gevoeld, combineert de judoka bliksemsnel in de conclusie of de ander kuzushi is, en of een specifieke worp kans van slagen kan hebben. Waar het gevoel precies zit, is uiteindelijk moeilijk in het algemeen te zeggen.

 

Bij de grip is de duim een cruciaal instrument, omdat die meer aan de 'binnenkant' van de grip werkt. Met de duim wordt de grijpkracht gedoseerd en dus de flexibiliteit van de kumi-kata bepaald - en dus eigenlijk alles.

In judo, als iemand de mouw of revers van de ander pakt, gebruikt hij 4 vingers van iedere hand en steekt de duim uit. Of hij de ander duwt of trekt, zonder hard te drukken met de duim kan hij hij de ander niet stevig pakken en de snelheid wordt verminderd. Bovendien kan de ander gemakkelijk loskomen uit je pakking op de mouw of revers. De 4 vingers bewerken dus een kracht naar binnen, terwijl de duim de tegengestelde kracht bewerkt, een stevige pakking scheppend. Daarom is het niet-gebruiken van de duim tegen 'the principle of dynamics'. Hoewel ik weet hoe efficient het is om de duim te gebruiken, was het niet gemakkelijk voor mij om het te beheersen. Tegenwoordig, waar ik ook kijk, zie ik echter niemand grijpen met 5 vingers, wat jammer is.

 

Masahiko Kimura, 1917-1993

 

Tegelijk bestaat grip uit meer dan alleen de handen. De handen werken niet los van de rest van het lichaam. Met name de houding van de armen is cruciaal. De spieren in de hand bewegen in samenhang met de armspieren en de aansturing vanuit de schouders. Wie een sterke kumi-kata aanzet en stevig vastpakt, bijvoorbeeld voor de worp, moet de armspieren ook spannen. Dat kan de ander al voelen in je schouders en de wijze waarop het bovenlichaam werkt. Ook een hand die een losse jas grijpt, verraadt zich als de spierbeweging in schouders en arm kan worden waargenomen. Het is niet mogelijk om met ontspannen armspieren de hand stevig te laten grijpen.

 

Daarom is bij een goede kumi-kata van groot belang om de kracht heel goed te doseren. Veel kracht tijdens kumi-kata zetten verraadt niet alleen de strategie, maar verspilt ook energie die je nodig hebt voor de krachtsimpuls van de worptechniek. Maar wat zeker zo belangrijk is: het brengt je balans in gevaar. Dat is heen gemakkelijk in te zien. Wie met strakke, gespannen armen vecht (of zelfs de armen strekt) kan nooit meer flexibel reageren op de bewegingen van de ander. En omdat het veranderen van de druk van de spierbundels voelbaar is voor de ander, betekent het veranderen van de grip ook het verraad van je strategie.

Het is met de armen als de kreukelzone van de auto. Als je de carrosserie van een auto als geheel te stijf maakt, komt bij een botsing alle kracht vrij op de zwakste zone: de lege ruimte van de passagiers. Als je zorgt dat die zone een stijve kooi is, maar de rest kan kreukelen, komen de krachten niet op de inzittenden vrij.

Als de armen flexibel zijn, vrij, ontspannen, dan kunnen die meebewegen, of zich krommen cq. strekken als de ander duwt cq. trekt. Dan komen de krachten van de ander eerst op de armen, en brengen niet meteen het hele lichaam uit balans. Wie de armen strak gespannen heeft staan (gebogen of gestrekt) kan in geval van een aanval net niet snel genoeg omschakelen en wordt in een fractie van een seconde uit balans gebracht. Wat er dan gebeurt, weten we.

De mouw en revers van de tegenstander moeten de meeste tijd licht worden vastgepakt (gripped lightly). Als iemand dat niet doet en heel sterk vastpakt, wordt hij op zijn beurt gehinderd omdat hij niet in staat is om op het juiste moment totaal vrij en snel te handelen. (Jigoro Kano, Judo Memoirs, p.40)

Tamio Kurihura zegt daarom over de balans tussen kracht en ontspanning bij de gewone kumi-kata:

"Pak de judogi van de ander alsof je een ei in je hand hebt." (Kurihara, Meisterliches Judo, p.25)

 

 

Wat dus heel belangrijk is bij kumi-kata, wordt hiermee duidelijk:

  • de handen moeten de juiste manier van pakken hebben, op de juiste plaats, maar ook met de juiste vingers: 4 vingers buiten, de duim binnen.

  • de armen en handen moeten gewoonlijk een zekere ontspannenheid en flexibiliteit behouden. Een vaste grip is nodig voor de worp of als de ander zich wil losrukken. Maar anders moet de greep los, glijdend, tastend kunnen zijn. De armspieren en het bovenlichaam houden het midden tussen los en controlerend. Staan open om harder te grijpen, om te duwen of te trekken, om te strekken of te buigen, om te draaien of zelfs helemaal los te laten.

  • de kracht is gedoseerd, niet te veel om niets te verspillen en zichzelf te verraden; maar ook niet te weinig om zelf de beheersing te houden.

Daarmee sluiten de laatste twee punten heel sterk aan op wat in het menu 'kuzushi' gezegd is over het principe van 'ju'.

 

Dat alles is te leren in de praktijk, door oefening en ervaring...

Kumi-kata is als het vastpakken van de handgrepen van je fietsstuur. Je voeten en benen doen het echte werk, net als op de tatami. Maar je handen en armen houden de balans. Soms grijp je hard als je snel moet sturen. Soms grijp je snel en krachtig de remmen als je plotseling moet stoppen. Soms laat je het stuur los als je recht gaat en er geen gevaar is. Soms laat je één hand even los om de versnelling of de bel te gebruiken, of richting aan te geven. Maar met beide handen en het stuur vind je de balans om niet om te vallen op twee wielen, of een bocht te nemen. Je buigt je voorover tegen de wind, of gaat rechtop zitten als je iets wilt overzien. Je houden en je grip maakt je een goede fietser. Dat leer je als kind, eerst aarzelend. Later heb je zoveel kilometers gemaakt dat je niet beter meer weet...

 

 

naar boven

 

 


 

 

2. Werken aan goede kumi-kata

 

 

Hoe kunnen we werken aan goede kumi-kata? Want er is nog veel te verbeteren!

Enkele aandachtspunten:

  • a. Rechtop staan, soepele armen

  • b. Judopak mét grip

  • c. Band vast


 

a. Rechtop staan met soepele armen!

 

Veel wedstrijdjudoka menen nog steeds dat de beste houding is:

  • gebogen voorover staan

  • met gestrekte armen staan

Op die manier kun je geen goede kumi-kata hebben, en ook niet normaal judoën.

Als je bang bent voor het risico om te verliezen, moet je aanvallend zijn, waza proberen en hard trainen. Als je dat doet, zul je niet langer judoën in een gefixeerde eenrichtingshouding, of je heupen naar beneden brengen, of je voorover buigen in een defensieve houding, zoals ik dat al te vaak zie in deze dagen. (Jigoro Kano)

 

De houding waarbij de judoka zijn bovenlichaam voorover buigt en zijn armen de hele tijd strak uitstrekt, is verre van ideaal. Normaal gesproken moet iemand zijn lichaam niet strak houden als hij in een natuurlijke houding staat, omdat het de vrije en snelle beweging van zijn nek, bovenlichaam, armen en benen beperkt. De ideale houding is die, welke de judoka in staat stelt om meteen een vloeiende inpuls te geven aan al zijn lichaamsbewegingen. (Jigoro Kano, Judo Memoirs, p. 39.)

Gelukkig komt er meer aandacht voor het bestraffen van negatief judo. Eén van de grotere problemen is het zogenaamde 'afhouden' ofwel het vechten met gestrekte armen. Nog los van wat we eerder zeiden, dat je dan veel kwetsbaarder bent voor kuzushi en je tactiek verraadt, is het ook een overdreven verdedigende houding. Het is gewoon slechte kumi-kata, omdat het eenzijdig, gespannen, en veel te krachtig is. Wat gebeurt er dan met het gevecht? De beide judoka proberen los te komen, of gaan duiken. Wat vanwege de enorme krachten waarmee de handen vastgrijpen, leidt tot een voorovergebogen houding en eindeloos duwen en trekken. Met gestrekte armen en voorovergebogen vechten (zie foto hieronder) wordt in Amerika ook wel spottend een 'death grip'  genoemd.

 

Goede waza is met slechte (gebogen) kumi-kata onmogelijk. Bij slechte kumi-kata is het lichaam van de ander te ver weg om nog soepel een normale aanval of worp uit te voeren, of te voelen in hoeverre de ander kuzushi is. Gevolg? Op volle kracht duwen en trekken om de ander kuzushi te maken - lees: omver te trekken/duwen. Wie dan tóch een worp probeert, slaagt daarin niet met fijne judotechniek omdat de ander op dat moment natuurlijk onbereikbaar en niet kuzushi is. Ja, zo kom je wel in de golden score. Wat dan gedaan? Krachttoeren. Voorover gebogen blijven en dan maar aan de benen trekken. Sambo. 'Kumi-kata' onder de band. Ashi-te-gari. Je ziet dat echt bijna iedereen doen - tot het nu dus eindelijk verboden wordt (2010). Maar ja, wat moest je anders nog? Als de benen en heupen van de ander zo ver weg zijn, is er toch bijna geen enkele techniek meer toepasbaar? Om over goed aanvoelen of goede observatie maar te zwijgen; je voelt niks van de ander en je ziet alleen maar benen en voeten. 

 

Goede kumi-kata en een rechtopstaande houding zouden alles anders maken! Dan zagen we weer echte kuzushi, goede combinaties en verfijnde techniek. Dan werd  het weer snel aanvallen in plaats van eindeloos verdedigen. Niet langer meedoen aan het gebogen touwtrekken - wat we dan 'wedstrijdjudo' noemen maar wat eigenlijk meer een soort worstelen-met-een-judosaus is.

 


 

b. Judopak mét grip

 

Vroeger was een judopak gewoon een katoenen broek met jas, een soort kimono.

De pakken bij de training waren erg verschillend van wat we tegenwoordig dragen. De broek was nauwelijks meer dan een korte broek, en kwam tot slechts halverwege de dijbenen. De jassen hadden erg korte en losse mouwen, en kwamen tot halverwege de biceps. Daarom werden onze blote ellebogen, knieën en schenen soms bijna schuurpapier tijdens de trainingen...

Jigoro Kano, Judo Memoirs, p.5

Het moderne judopak biedt veel meer bescherming. De broek (zubon) is langer geworden, en de jas (uwagi)... De jas is volgens sommigen optimaal als het aanvoelt als een harnas. Voor de 'tegenstander' dan. Verkopers van judopakken adverteren ermee: "Hard to grip". Ja ja. Lekker zacht over je eigen blote bast (hoewel?) en voor de tegenstander ongrijpbaar. Negatief judo door je judopak zul je bedoelen.

 

Wie een zwaar en stijf judopak kiest omdat hij bang is voor blessures kan eventueel geluk hebben met een double weave jas van meer dan 600 gram/m2, maar misschien is een nunchakupak dan ook wel wat. Verder is het niet goed voor te stellen hoe een judoka zich vrijer zou kunnen bewegen in een dikke, stugge, zware jas. Het is natuurlijk ook onzin. Vrijheid van bewegen doe je met zo min mogelijk dikke kleding aan. Als mannen gaan vechten op straat doen ze (in films en zo) hun colbert meestal uit en stropen ze de mouwen op. Dat knokt gemakkelijker. Op de mat is dat niet anders. Wie super-vrij beweegt, kiest een judojas die niet kapot getrokken wordt natuurlijk, maar niemand maakt me wijs dat een single-weave jas van bijvoorbeeld minder dan 400 gram/m2 zonder rand van gewapend beton niet veel lekkerder vecht. En verhalen over slijtage? Een pak slijt het hardste van verkeerd wassen en voor de prijs van een dik double-weave pak kun je wel twee lichtere kopen. Nee, daar gaat het ook niet om. De heimelijke bedoeling is, dat je de tegenstander zijn kumi-kata niet gunt. Maar we hadden toch de technieken bedacht juist om te kunnen vastgrijpen?

 

Wie een superstijf judopak kiest, wil eigenlijk zo min mogelijk kumi-kata. En dus geen goed judo. Waardeloos. Effectief in de competitie, maar slecht voor het judo. Een goed judopak geeft beide judoka juist wél grip. Omdat ze elkaar recht in de ogen willen kijken, en willen laten zien dat ze technisch goed zijn. Wie bang is voor goede kumi-kata is ook bang voor goede techniek. Een goede judoka lust zulke mannetjes rauw.

 

 

De door de deelnemers gedragen judogi (judopak) moet voldoen aan de volgende eisen: Degelijk gemaakt van katoen of een soortgelijk materiaal en in goede staat verkeren (zonder gaten of scheuren). Het materiaal mag niet te dik of te hard zijn zodat voorkomen wordt dat de tegenstander vast kan pakken. (IJF reglement art.3)

Deze regel staat er helaas niet voor niets. Nu de toepassing nog.

 


 

c. Band vast!

 

Hoeveel wedstrijden worden vanaf de eerste minuut met de jas volledig uit de band gevochten? Dat kán toch helemaal niet! Je ziet sommige judoka tijdens een wedstrijd kijken en voelen of de band niet weg is, maar ja, zonder toestemming de zaak opnieuw vastzetten is verboden. Misschien moet sneller mate worden gegeven als de judojas bij tachiwaza langdurig uit de band komt (tenzij er een geslaagde worp op volgt uiteraard) om de uitgangssituatie te herstellen (reglement art.17.4). Want ga maar na: een losse jas sluit goede kumi-kata en een heel aantal essentiele worpen uit. Voor worstelaars die liever een beentje grijpen is dat gebrek aan kumi-kata geen probleem, maar voor judoka natuurlijk wel. Dat je dan de wedstrijd vaak moet onderbreken, soit

 

Als de judoka zijn kracht beter doseert en shiai minder krachtsport wordt, en er dus minder lang (en vooral minder hard) aan de jas hoeft te worden gerukt, blijft de jas overigens vanzelf beter zitten. Een jas als een harnas schiet bovendien ook sneller los. Het judopak is ontworpen voor oorspronkelijk Kodokan-judo en niet voor overdreven krachtig judo! Wie snelle kumi-kata toepast en meteen goed werpt, legt de ander al op zijn rug of in de houdgreep voor de jas er los bij hangt.

 

 

 

naar boven

 

 

 

 

 

klik om te reageren

op mitesco 

       

Dese site is geoptimailseerd voor gebruik

door MS IE7 of Mozilla Firefox 2.x

Resolutie 1024x728 pixels.

© MITESCO.NL    2008-2009

Alle rechten voorbehouden.