website metrics

 

  Menu

 

 

  Waarom?

 

  Geschiedenis

  indeling:

   Kano

   Kodokan

   Butokukai

   Judolegenden

   Nederlands judo

   Kosen bjj/sambo

 

  Mind over Muscle

 

  Seiryoku Zenyo

  toepassingen:

     deugd

     orde

     strategie

     beheersing

     kuzushi

    

  Jita Kyoei

  toepassingen:

     opvoeding

     respect        

     beschaving

     sportiviteit

     de 'dō'

     

  Judo-praktijk

  indeling:

     sport ?

     kata

     kumi-kata

     shiai

     arbitrage

     kinderjudo

     studie

     herbronning

 

  Koppelingen

 

  E-Cards

 

 

   

 

De geschiedenis van het judo

 

 

Indeling van deze pagina (klik op de tekstregels):

1. Voorgeschiedenis: van jūjūtsu naar judo

2. Kokokan-judo

3. Butokukai

4. Nederlandse judogeschiedenis

5. Ne-waza Varianten:

    Kosen, Brazilian/Gracie JuJutsu en Sambo

6. Bijlagen

 

 

 

Wie een korte en overzichtelijke geschiedenis van het judo zoekt (eventueel om op een eigen website over te nemen) kan terecht op judogeschiedenis of klikken op de onderstaande banner:

 

 

 

 

 

 

 

 


 

1. Van jūjūtsu naar judo

 

 

Jigoro Kano heeft het judo doorontwikkeld vanuit de verschillende jūjūtsu-scholen die er in zijn tijd in Japan waren. Daarmee hebben we meteen de eerste moeilijkheid. Jūjūtsu? Welk jūjūtsu?

In vroegere tijden waren er veel jujutsu-stijlen populair. Mannelijke beoefenaars van een groot aantal stijlen gebruikten vaak dure wapens zoals speren, zwaarden en dolken. Hellebaarden werden meestal gebruikt door vrouwen. Veel technieken werden uitgevoerd op een voorgeprogrammeerde en dus op een ongewelddadige manier. Deze stijlen werden vaak beoefend door mensen van een hogere sociale klasse. Aan de andere kant was er het jujutsu wat beoefend werd door de militairen en door mannen van een lagere sociale klasse en die neigden naar een gewelddadige ongewapende stijl, voornamelijk met worpen, worstelen en vaardigheden om iemand vast te zetten. Deze stijlen behelsden ook stoten met handen en voeten, armklemmen, verwurgingen en ook methoden van dwang. Sommige van deze methoden werden geleerd aan politiemannen om te gebruiken om recalcitrante criminelen vast te houden. (Jigoro Kano, Judo Memoirs, p. 71)

De geschiedenis van het jūjūtsu is een voortdurende ontwikkeling op zichzelf.  Kijk daarvoor maar eens op wikipedia.(engelstalig)

Over de praktische overgang van jūjūtsu naar judo kunnen we een interessant artikel van Eli Steenput aanbevelen.

 

Wat Mitesco belangrijk vindt, is de innerlijke kern van de overgang, zoals Jigoro Kano die zag. Kano was zelf helemaal niet tegen jūjūtsu. Hij hekelt in zijn geschriften de beeldvorming rond jūjūtsu, als zou het daarbij alleen om vechten gaan, en gevaarlijke technieken aanleren. Maar ondertussen was er van die beeldvorming een groot deel waar.

Omdat de meerderheid van het grote publiek onbekend was met de minder gewelddadige stijlen van het jujutsu, waren ze geneigd om alle jujutsu-stijlen als brutaal af te doen, en geloofden ze dat alle stijlen gevaarlijk waren. (Jigoro Kano, Judo Memoirs, p. 71)

Natuurlijk, Jigoro Kano zag vanuit zijn eigen ervaring heel zuiver dat jūjūtsu als primair doel het gevecht had. Het was een gevechtsmethode, waarbij de vaardigheid (jitsu) het middel was om het doel te overleven. Jazeker, er waren jūjūtsuscholen waar de dood van de ander een onderdeel van het gevecht kon zijn. Dat was voor Kano natuurlijk nooit aanvaardbaar.

Maar Kano was in de eerste plaats ook een leraar, een filosoof, een idealist. Een hoogstaande persoonlijkheid, qua beschaving en intellectuele vaardigheid. Precies dat is de sleutel om te begrijpen waarom de naam jūjūtsu uiteindelijk werd vervangen. Kano bevestigt dat er op zich in goede jūjūtsu-training veel elementen van lichamelijke opvoeding te vinden zijn. Immers, alle lichaamsdelen worden geoefend tijdens de training. Ook heeft jūjūtsu een aantal morele en geestelijke waarden in zich. Hij zegt dan ook: "Hoewel het niet zonder gebreken is, als we jūjūtsu als geheel beschouwen, is het absoluut waardevol cultureel erfgoed dat bewaard moet blijven."

De idealist Kano probeerde daarom aanvankelijk te geloven dat het jūjūtsu slechts op een aantal punten verbeterd zou moeten worden, om een samenhangende methode van lichamelijke, intellectuele en morele opvoeding te worden. Kano praktizeerde het jūjūtsu niet alleen; hij bestudeerde ook alle elementen om uiteindelijk tot de conclusie te komen... dat het anders moest. Want zijn analyses gingen verder dan de gevechtskunst.

 

Het jūjūtsu ten tijde van Jigoro Kano was een veelkoppig monster geworden, waarin weliswaar een zekere vooruitgang te bespeuren was, maar niet genoeg. Het jūjūtsu was gewoon te conservatief, en de hemelbestormer Kano was veel te progressief om aansluiting te kunnen houden bij de oude jūjūtsu-meesters. Veel jūjūtsuscholen waren in zijn ogen te onbeschaafd. Kano ergerde zich bijvoorbeeld aan toernooien tussen jūjūtsuka's en sumo-worstelaars, en showoptredens om geld. Hij beschouwde dat als hoerderij, "prostituting a martial art", en hij vond dat walgelijk. Dat was één reden voor de nieuwe naam. Naast alle waardering, besefte hij dat het oude jūjūtsu niet door hem kon worden gered.

Ik wilde niet dat het publiek het geweld van jujutsu zou associeren met Kodokan judo. (Judo Memoirs, p. 71)

De tweede reden was wel degelijk de klassieke jūjūtsutechniek en de praktijk in de scholen. Er was nogal een wanorde in de lessen, waarbij gevaarlijke en ruwe technieken op onsportieve manieren werden uitgekuurd. Goede theoretische onderbouwing van techniek was zeldzaam - wat ook niet paste bij de toenmalige Japanse onderwijscultuur waarin de meester door daden technieken leerde in plaats van door woorden.

 

In de beeldvorming lag jūjūtsu niet goed: het was meer een opleiding voor gemene straatvechters, dan wat de naam zegt: een 'zachte vaardigheid'.

 

De derde reden voor de nieuwe naam was fundamenteler. Gaandeweg had Kano ervaren dat de jujituska's weinig aandacht hadden voor andere doelen dan de technieken. Mogelijk dat ze Kano niet alleen fysiek hebben gebruuskeerd, maar ook zijn ideeën met hoongelach hebben ontvangen. De trotse Japanner beschrijft dat uiteraard niet in zijn lessen, maar als de dagboeken ooit openbaar worden, zouden we kunnen speculeren op zulke ervaringen. We zouden ook kunnen zeggen: Kano was te intelligent om het alleen bij gevechtstechniek te houden. Hij was de professor in spe, die zo'n brede visie had op Japan en de hele wereld, dat zijn doelen eerder gehinderd werden door een overmaat aan gevechtslust. Hij legde met andere woorden, zijn doelen gewoon een levensweg verder. Jūjūtsu kwam in zijn toenmalige opzet niet verder dan het gevecht. Kano zag het gevecht hoogstens als een middel -  en niet eens als het belangrijkste middel. Het doel van Kano was verhevener: een perfecte wereld. Zijn middel was het optimaal toepassen van energie, waarvoor de gevechtskunst een ideale vorm kon zijn. Aan het eind van het leven moet iemand iets hebben bijgedragen aan ontwikkeling, beschaving, verbetering van de mensheid. Tussen de oefening en dat doel ligt geen gevecht, maar een weg die jaren omspant. Een levensweg. Een do.

"Er waren verschillende redenen waarom ik er niet voor koos om de term jūjūtsu te gebruiken, wat aanduidde wat gewoonlijk werd gepraktizeerd, maar in de plaats daarvan de naam 'judo' gebruikte. De hoofdreden was dat 'do' (weg) is het grote concentratiepunt is van wat de Kodokan leert, terwijl 'jitsu' (vaardigheid) bijkomstig is. Ik wilde ook helder maken dat judo een manier was om in te schepen voor die weg."(noot over naam 'judo', zie onder)

Judo was voor Kano een way of life geworden. Hij was boven het jūjūtsu uitgestegen.

Die levensweg moest wel leiden tot een school waarin die weg geleerd werd: het Kodokan.

Terwijl de oude vorm, jūjūtsu, alleen werd getraind om te vechten, was Kano's nieuwe systeem gesticht om zowel de geestelijke als lichamelijke mogelijkheden te promoten. Terwijl de oude scholen niets anders leerden dan praktijk, gaf het moderne judo de theoretische uitleg van de leer, met tegelijk evenredige aandacht voor de praktijk.

T. Shidachi, 1892

 

Ik heb me vele jaren aan de verfijning van jūjūtsu gewijd en uiteindelijk het Kodokan judo ontwikkeld. Ik heb zoveel mogelijk mijn ervaringen met het klassieke jūjūtsu op een rij gezet. Vervolgens heb ik die elementen bijeengebracht die de moeite waard waren om over te nemen, en die delen verwijderd die verwijderd moesten worden. Tenslotte heb ik het vergeleken met de wetenschappelijke theorieën en het zo samengesteld dat het voor de huidige maatschappij bijzonder geschikt is.

 

Jigoro Kano

 

 

Jūjūtsu: the art of self-protection.
judo: the art of self-perfection.

 

 

Voor meer over de geschiedenis van het Jūjūtsu volgens Kano: zie in 'Mind over Muscle'

boek in het Nederlands te lezen via het menu links.

 

Ook staat er veel in 'Judo Memoirs of Jigoro Kano', door Brain Watson. (Nieuw boek okt. 2008)

Zie menu 'koppelingen'.

 

Jigoro Kano afgebeeld voor het Kodokan 講道館 in Tokio

 

 

 

(noot:) Volgens Niehaus greep Kano bij de naamgeving van judo bewust terug op een term die al in 1714 voor het eerst was gebruikt in een jūjūtsuschool. In de eigen woorden van Kano: "om de verdiensten van de voorgangers te eren." (Andreas Niehaus:  Leben und Werk Kano Jigoros (1860 - 1938)  blz.210)

 

 

naar boven

 

 


 

 

   2. Kodokan judo

 

講道館
   a. De weg - de oorsprong en de geestelijke Kodokan                   

Op 22-jarige leeftijd (1882) opende Jigoro Kano in Tokio zijn eigen school, door hem Kōdōkan genoemd. betekent: onderwijzen;  dō betekent: de weg; kan is een openbare plaats. Grof gezegd dus is Kodokan: de plaats waar de weg wordt geleerd.

 

Eerst was de dojo gevestigd in een kleine Boeddhistische tempel, de Eishoji (rechts). Dat kan vreemd lijken. Toch is het de meest oorspronkelijke omgeving voor judo. Volgens Jigoro Kano is de dojo een plaats van rust en zuiverheid, schoon en ordelijk. "We moeten ons herinneren dat het woord 'dojo' is afgeleid van een Boeddhistische term, die verwijst naar de 'plaats van verlichting'. Net als een klooster, is de dojo een 'heilige plaats' waar mensen komen tot de perfectie van geest en lichaam." (Jigoro Kano: Kodokan judo, p.26 

 

Een anekdote uit die dagen [van de Eishoji] betrof de problemen die voortkwamen uit de losse vloerplanken onder de matten van de dojo. Reparaties waren nodig vanwege de maandenlange dreunen van vallende lichamen. Op een nacht hadden Tomita en ik besloten om ze te maken. Tomita kroop onder de veranda van de tempel en ik hield de lantaarn vast. De hogepriester was bezorgd. Hij klaagde dat de trillingen van de vallende lichamen tijdens de lessen de herinneringsplaten in de kamer naast de dojo van de muur lieten vallen. Maar niet alleen dat, een van de dakbalken was losgeraakt en naar beneden gekomen. Tenslotte was de priester bang dat we eventueel de hele tempel zouden slopen en vroeg of we wilden stoppen om de grote zaal als dojo te gebruiken. Na veel nadenken beloot ik dat ik een nieuw en stevig doelgericht gebouw zou neerzetten, met een dojo van twaalf matten, naast een van de poorten van het tempelcomplex. Ik noemde dat de Kodokan.

Jigoro Kano, Judo Memoirs, p. 13.

 

Zo ontstond de Kodokan. Maar het belangrijkste is eigenlijk het geestelijke gebouw. Daarover gaat het hier vooral...

 

 

Kyuzo Mifune schrijft daarover:

"Maximaal-efficient gebruik van energie". Dat is hoe Meester Kano zelf Kodokan judo beschrijft. Als je eenvoudig vraagt: 'wat is judo?', wordt het antwoord gegeven in de betekenis van de Chinese karakters 'ju no michi' (dat is: de weg van ju). Dit betekent; eenworden met de natuur en de ware principes van het universum. Het is de weg die iedereen moet gaan. Meester Kano legt ook uit wat de essentie van ju is: "Ju is een prachtig concept, overeenkomend met logica, deugd en schittering; het is de werkelijkheid van wat goed is, waar en schoon. judo wordt uitgedrukt door techniek, wat wordt verworven door technische training gebaseerd op wetenschappelijke studie." judo is het nastreven van de ene waarheid, uitgedrukt in menselijke beweging, met de harmonie van geest en lichaam.

Jigoro Kano zegt zelf:

Judo begon met de studie van de gevechtskunsten, maar gaandeweg werd het duidelijk dat het kon worden toegepast op lichamelijke opvoeding, intellectuele training, morele opvoeding, sociale interactie, management en het alledaagse leven van mensen. Sommige mensen geloven dat judo simpel betekent: oefenen in de dojo. (...) Hoewel dat zeker een aspect van judo is, is het toch maar een klein deel daarvan. Met judo moet je het beste doel voor ogen hebben en al je geestelijke en lichamelijke energie op de meest effectieve manier gebruiken om je doel te bereiken - eenvoudig gezegd: seiryoku zenyo is wat het hedendaagse judo inhoudt. Om die reden is judo niet zozeer een gevechtskunst, maar meer het basisprincipe van menselijk gedrag. (Mind over Muscle p.77)

 

 

De term Kodokan judo is speciaal in die zin, dat het een brede toepassing heeft en een diepe betekenis. Het instituut dat ik Kodokan noemde, is dus de plaats waar de kunst van het judo wordt geleerd. Als ik vooral een gevechtskunst had willen onderrichten had ik mijn dojo misschien 'Renbukan' (instituut voor het beoefenen van gevechtskunsten) genoemd, of 'Kobukan' (gevechtskunst-instituut) of misschien 'Shobukan' (militair instituut). Ik vermeed het gebruik van zulke termen. De hoofdreden dat ik de naam Kodokan koos, was, omdat de 'do' van judo fundamenteel is: het 'pad' van het leven waarop de vaardigheden worden toegepast. (Judo Memoirs p.16)

Waar kwam dit alles nou vandaan? Jigoro Kano was een man die dingen graag samensmolt: religie, filosofie, martial arts. Oost en West, het maakte hem niet uit, als het maar praktisch ervaarbaar en toepasbaar was. Hij was een echte syncretist, maar ondanks de veelzijdige bronnen van het Kodokan-judo is zijn weg een helder concept:

Kano ervoer een natuurlijke synthese tussen zijn oude Japanse cultuur, Chinese filosofie, en Westerse theorie over sport. Nadat hij zijn school had geopend in de Eishoji Tempel, noemde hij zijn stijl Kodokan judo, niet alleen om het te onderscheiden van jūjūtsu en eerdere judoscholen, maar ook om te benadrukken dat dit iets totaal nieuws was: een martial art die stond voor een martial philosophy, die overeenkwam met oude Chinese ideeën, Taoistische principes over het dagelijks leven, en bovendien zeker zo belangrijk: een filosofie gebaseerd op Europese ideeën over de vooruitgang van de samenleving door de bijdrage van het individu.

"We zullen allemaal vooruitgaan" was een idee dat Kano graag omarmde en uitdrukte in een fundamenteel principe."Jita kyoei," letterlijk: "vooruitgaan, samen stralen." Het was geen concept met wortels in enig oosters filosofisch systeem. Hij reorganiseerde de jūjūtsu-principes tot een efficiënte, wetenschappelijke methode van beweging; hij voegde het lichamelijke principe van het maximale resultaat bij minimale inspanning toe als "Seiryoku zenyo." Dit kwam uit de Engelse filosofie, maar het paste prima bij de Taoistische gedachten die Kano vond in de Chinese literatuur.   (Daigaku Judo Dojo MT USA)

 

Dat is Kodokan-judo: Seiryoku Zenyo als middel en Jita Kyoei als doel. Een totaal nieuwe weg.

 

 

Kodokan-judo: de weg van de geest en het doel

 

 

Over de complete geschiedenis van het Kodokan-judo, is in het Engelse taalgebied een prima webpagina. Voor wie die taal beheersen, bevelen wij de Daigaku Judo Dojo aan de University of Montana aan... (klik op de afbeelding rechts) Onderstaande tekst over de weg is deels vertaald vanaf deze webpagina. Daarbij gaat het Mitesco in eerste instantie over de geschiedenis van de oorspronkelijke inhoud. Pas in tweede instantie (b) geven we ook een historische ontwikkeling, voor een groot deel vertaald van dezelfde webpagina uit Montana.

 

De tao

 

Het idee van de 'do', de weg, had een enorme filosofische betekenis. Het was Japans voor het Chinese woord "Tao." Het woord Do voor een gevechtskunst was een nieuw concept. In plaats van het uitwerken van technische vaardigheden, verbond judo de technische toepassingen met het idee van filosofie en ethische toepassingen. De gedachte in Tao was om een "mens, vrij van vooroordelen, maar verbonden met het ontwikkelen van karakter" te scheppen. Trainen op een voorgeschreven manier met een heel specifiek ideaal van menselijk gedrag voor ogen, zou de mens verheffen en de menselijke samenleving met hem. Aanhangers van Tao waren er op uit om het hele leven te begrijpen door de intensieve studie van deelgebieden, en de natuur te voelen en te ervaren. Zelf-perfectie, het doel van Tao, was uiteindelijk een Zen-concept: ervaring als middel tot verlichting, en niet de intellectuele analyse boven de diepe ervaring stellen.

 

De lichamelijke ervaring was nuttig in die zin, dat het natuurlijk, niet-gemaakt en spontaan zou moeten zijn. Kano zag in de ideeën van de Britise filosoof Herbert Spencer met betrekking tot "inspanning voor elkaar in de samenleving" en als doel om een betere samenleving te creëren, de praktische uitdrukking van de oude Chinese ideeën. "Algemeen welzijn en voorspoed" was de natuurlijke weergave van hoe Kano geloofde dat individuen in de samenleving zouden moeten functioneren. judo had als doel om, in zijn meest fundamentele principes, een lichamelijke uitdrukking te zijn van een ideale menselijke samenleving. (noot 2) (zie ook menu 'jita kyoei')

 

 

Kuzushi en seiryoku zenyo - het fundamentele verschil

 

Kano zag in jūjūtsu precies het tegenovergestelde van zijn idee van do. Jūjūtsu was een amalgaam van ideeën en technische vaardigheden. De beoefening van de vaardigheden vroeg meestal grote lichamelijke kracht, of enorme hefboomwerking. Op zich was schade, letsel, invaliditeit of zelfs de dood geen opzet, maar de manier waarop technieken werden toegepast maakte het risico wel groot. Kano begreep dat het idee van kuzushi het verschil maakte in de manier waarop- en de kracht waarmee een techniek moest worden toegepast. Sterke vechters werden plotseling relatief zwak als ze uit balans raakten. De jūjūtsukampioen Likubo (Kito Ryu) werd gemakkelijk geworpen als kuzushi werd toegepast. (...)

Kano, de specialist in Chinese literatuur, zocht bij LaoTsu inspiratie om vanuit een tweeduizend jaar oude gids een nieuw gevechtssysteem te ontwikkelen.

 

"Kuzushi" was een nieuw idee. Hoewel het natuurlijk al eerder was toegepast, had niemand het ooit herkend als een principe van organisatie. Het was een van die momenten van openbaring voor Kano, vrucht van jarenlang hard werken, zweten, studeren en oefenen. Plotseling werd de ware betekenis van "ju" duidelijk, en veel inzichtelijker. Het woord "ju" was eerder toegepast op een hele waaier van fysieke stijlen en technieken, voordat de echte lichamelijke essentie ontdekt werd. "Ju" was vooral effectief als "kuzushi" werd toegepast. Ju en kuzushi zijn niet hetzelfde. Ju is een strategie. Kuzushi is een tactiek. Kano vond de meest effectieve tactiek om de strategie toe te passen. (zie ook menu 'kuzushi')

 

Het principe van seiryoku zenyo was daarbij het centrale motief, dat hij vanaf 1910 als standaard gebruikte om zijn leer een algemeen fundament te geven, zowel in het judo als in het alledaagse bestaan. (zie hierboven en in het menu)

 

 

Opvoeding en onderwijs - het kenmerkende voor de Kodokan

 

Jigoro Kano was in de eerste plaats een opvoeder. Zijn hele leven stond niet alleen in het teken van judo, maar ook van werken voor onderwijs, cultuur en de Japanse nationale systemen van opvoeding. Wie Mind over Muscle leest, kan begrijpen dat deze opvoeding niet alleen bestond uit de Lichamelijke opvoeding - waarvan Kano als project had om Japan een nationaal systeem te geven. Het was voor hem ook altijd tegelijk: intellectuele en morele verfijning. Mind and muscle, geest en lichaam. Samen. De drie nievau's van opvoeding waren voor Kano nooit te scheiden, slechts te onderscheiden.

Het unieke van het Kodokan Judo was dan ook, dat er niet alleen training werd gegeven in de gevechtskunst. In de Kodokan werd ook serieuze theorieles gegeven. Niet alleen over de technieken en de principes van seiryoku zenyo en de toepassingen, maar ook over de gewone menselijke implicaties van het judo voor het gewone leven. Theorie en praktijk. Samen. Dat onderscheidde de Kodokan als systeem van de Butokukai en de traditionele scholen voor gevechtskunsten.

 

 

Voorlopige samenvatting door Mitesco

 

 

Samengevat kunnen we dus zeggen: wat was het onderscheidende van Kodokan-judo ten opzichte van jūjūtsu?

  • Syncretisme, versmelting van jūjūtsutechniek met filosofie van Taoisme en Engelse nuttigheidsfilosofie - wat leidde tot een nieuwe, geweldloze weg met als middel de maximale efficiëntie in energie, en balans tussen geest en lichaam.

  • Ideeën van seiryoku zenyo en jita kyoei als principes van ethisch en praktisch handelen -  verbreding van het gevechtselement naar een wereldwijde vorm van samenleven en perfectie.

  • Toepassing van kuzushi als principe van de gevechtskunst met seiryoku zenyo: zachte techniek wint van kracht.

  • Alles gericht op onderwijs en opvoeding als hoogste ideaal.

 

 

naar boven

 


 

b. Kodokan - geschiedenis: opkomst en ontwikkeling

 

 

De eerste organisatievorm

 

In 1893 was Kano eindelijk in staat om het gebouw van de Kodokan, alleen voor het doel van Judo training in het Fujimi-cho district van Tokyo te bouwen. Dat leidde tot nieuwe verantwoordelijkheden, en dus werd in 1894 de Kodokan Raad opgericht om het Kodokan Judo te besturen. Zijn educatieve taken legden namelijk beslag op alle tijd van Kano, en dat betekende dat hij niet ook nog eens alle administratieve en technische zaken in het judo kon behartigen. Kano’s eigen interesse in technische kwesties bleef toch wel. De Kodokan ontwikkelde zijn grappling-technieken, waarbij de verdediger met het gezicht omhoog lag, en niet, zoals bij de meeste ju-jutsu scholen, met het gezicht naar de mat. Dat gaf de verdediger meer gelegenheid om zich te verdedigen en dat weerspiegelde Kano’s studie van westerse grappling-stijlen. Hij verlengde de mouwen en broekspijpen van de judogi in 1907 om controle en veiligheid te verbeteren.

 

Het Kyu-Dan-systeem werd ook ontwikkeld voor Kodokan Judo. Ju-jutsu-stijlen hadden geen enkele graad, of graden die te maken hadden met een meesterschap, zoals "beginnend leraar," "gevorderd leraar," enzovoorts. Kano, de moderne opvoeder, zag daarin weinig prikkeling voor studenten om een georganiseerd curriculum van technieken te leren en weinig erkenning voor gevorderde studenten. De graden tot de zwarte band belichaamden een hiërarchie van technische vaardigheden tot een punt waarop iemand beschouwd mocht worden als ‘meester’ van een voldoende fundament in het judo – eigenlijk: een echte judo-student. Dat was de eerste dan, een zwarte band, een graad. Eerst bestonden deze uit drie witte banden, drie bruine banden, drie zwarte banden, geleidelijk groeiend tot een aantal echte kleuren, zoals geel en groen en tien dangraden. 

Kano heeft nooit een graad in het judo geclaimd. Hij werd door de leerlingen beschouwd als de authentieke stichter. Na zijn dood werd hij de door Kodokan erkend met een honoraire en unieke graad van 12e Dan. Als de stichter kon hij niet gewoon worden geëerd met het systeem dat hij zelf had uitgevonden. Kano droeg gewoonlijk een wijde witte band, hoewel hij ook een oude zwarte draagt op sommige foto’s Daarbij was niet duidelijk of hij een judoband wilde dragen, of gewoon een van de ju-jutsu-stijlen waarin hij ook meester was.

 

Gedurende deze eerste jaren was Kano’s belangrijkste assistent Yoshiaki Yamashita. Yamashita was 5 jaar jonger dan Kano, en was begonnen met Kodokan Judo in 1884. Hij was een formidabele vechter. Hij beheerste Yoshin Ryu ju-jutsu als ook Tenshin shinyo Ryu ju-jutsu en bracht dit in bij de Kodokan. 

Kano zelf had altijd een voorkeur gehad voor staande technieken. Hij was zich bewust van het belang van grappling, maar zijn persoonlijke voorkeur lag in de meer elegante en filosofische staande technieken die hij had geleerd en ontwikkeld in de Kito Ryu. Dat zag je terug toen Kano de belangrijkste technieken systematiseerde in de Gokyo no Waza in 1895, wat alleen maar worpen bevatte.

 

In 1900 werd de Kodokan verslagen in een wedstrijd met Fusen Ryu ju-jutsu. Fusen Ryu was gespecialiseerd in ne waza of grappling, en deze voorkeur bestaat nog steeds. Bijzonder was, dat Kano de hoofdmeester van Fusen Ryu's, Mataemon Tanabe overhaalde om de technieken-syllabus aan Kano te geven en Kano zocht naar een manier, een soortgelijke stijl om Jikishin Ryu ju-jutsu in de Kodokan-syllabus op te nemen. Vanaf dat moment begon Kodokan Judo pas een trend te laten zien in ne waza.   

In 1906 verhuisde de Kodokan opnieuw naar een nieuw complex omdat het aantal studenten te snel toenam. De Shimotomisaka Kodokan verdubbelde de werkruimte bijna naar 207 tatami, ongeveer 335 vierkante meter.

 

De Kodokan werd officieel een stichting in 1909, en in 1911 werd de afdeling Judoleraren opgezet. In 1909 werd Kano het eerste Oosterse lid van het Internationaal Olympisch Comité, en in 1911 richtte Kano de Japan Amateur Athletic Association op. In datzelfde jaar werden zowel Judo als Kendo onderdeel van het Japanse school-systeem. In die periode, toen het ju-jutsu geleidelijk verdween uit de Japanse cultuur, voelde Kano het verlangen om zoveel mogelijk te behouden van de oude stijlen. Kano waardeerde, net als Isaac Newton, hij ook voor zijn eigen bijdrage, uiteindelijk op de schouders van reuzen stond, die zelf ook weer bewakers en doorgevers waren van oude waarden. Zonder hen, was er geen judo.

Dus werd Kano een historicus, naast al zijn andere kwaliteiten. Zoals de historicus Donn Draeger zegt, bouwde Kano een monument voor de oude stijlen van Japan, en voor zijn oude leraren van wie hij zoveel had geleerd, "in de vorm van de Kodokan Judo Kata." Judo kata is onderscheiden van de kata-vormen in andere gevechtsstijlen in zijn doelstelling om historische en filosofische aspecten van zijn Budo erfenis te bewaren.

 

De Kodokan werd een pakhuis van historische technische informatie. Kano had zelf Seigo Ryu, en Yagyu Ryu,  maar ook Kito Ryu en Tenshin shinyo Ryu. Tenshin shinyo Ryu was zelf een samensmelting van Yoshin Ryu en Shin No Shindo Ryu ju-jutsu. Daarbij kwam dat Yoshin Ryu de specialiteit van Yasmashita was. Tenshinshinyo Ryu had ook stoten, vasthouden, trekken, en wurgen in zich, als ook beenklemmen en aiki-type bewegingen. Training behelsde ook achttien wapenkunsten. Later namen de meesters van Takeuchi Ryu ook deel aan de vaststelling van de Kodokan syllabus. Takeuchi Ryu was zelf een afleiding van Daito Ryu. Zoals Daito Ryu zelf ontwikkelde in onderliggende kunsten, zo zond Kano studenten als Mochizuki naar Sokaku Takeda en Kenji Tomiki naar Morihei Ueshiba om deze ontwikkelingen terug in te brengen.

 

In 1912 riep Kano de overgebleven leidende meesters van het ju-jutsu bijeen om een Kodokan syllabus voor training en kata op te zetten. Aoyagi van Sosusihis Ryu, Takano, Yano, Kotaro Imei en Hikasuburo Ohshima deden mee vanuit Takeuisi Ryu. Jushin Sekiguchi en Mogichi Tsumizu van Sekiguchi Ryu, Eguchi van Kyushin Ryu, en Hoshino van Shiten Ryu, Inazu van Miura Ryu. Takamatsu, een Kukkishin Ryu expert, had met Kano gewerkt aan wapens, waarin Kano een erkende expert was, en dat droeg bij aan zijn persoonlijke favoriete techniek van hiza guruma, die nog steeds populair is in de wedstrijdtechnieken. (…)

 

Judo verspreidt zich over de wereld

 

Kano’s inspanningen, die bleken uit zijn samenkomst in 1912 met de leiders van het ju-jutsu om een definitieve syllabus en curriculum voor de Kodokan vast te stellen, schijnen te beantwoorden aan Kano’s denken dat de Kodokan noodzakelijk was om de oude Japanse gevechtskunsten niet snel te laten uitsterven. Kano merkte later zelf op, dat "eventueel het judo het ju-jutsu zou vervangen in Japan, en spreekt dus niet langer over ju-jutsu als een hedendaagse kunst in Japan, hoewel het woord overzee heeft overleefd.

Kano’s uitverkiezing in het IOC heeft waarschijnlijk ook van doen met zijn reizen in het buitenland met ook IOC-zaken en zijn manier om overal waar hij kwam judo te onderrichten. (…)

 

Door het judo te stichten, had ik mijn eigen systeem van lichamelijke en geestelijke training opgezet. Het kwam me voor dat ik deze kennis niet voor mezelf moest houden, maar dat ik het moest onderrichten aan anderen, over de hele wereld.

Jigoro Kano, Judo Memoirs, p. 15

 

In Europa werd het judo geintroduceerd in Engeland door Yukio Tani in 1905 of 1906, hetzelfde jaar dat Gunji Koizumi aankwam om het judo te verspreiden. In Frankrijk was de komst van Hikoichi Aida en Keishichi Ishiguro in 1924 het begin van een van de meest succesvolle internationale dochters van het judo. Yoshisaburo Sasaki bracht judo naar Hongarije in 1906. Aida bracht Judo naar Duitsland samen met zijn successen in Frankrijk, maar het werd pas populair na bezoeken van Kazuzo Kudo en Sumio Imai in 1926. De  Italiaanse Judo Federatie werd opgericht in 1924, vooral na inspanning van de Japanse ambassadeur in Italie, Youtarou Sugimura, die zelf judoka was. In 1934 werd de European Judo Union opgericht. In dat jaar werd ook een nieuwe Kodokan gebouwd, bestaand uit 510 tatami's (826 vierkante meter) in het Suidobashi district van Tokyo. Het judo beleefde al zijn 50e verjaardag.(…) Japanse oorlogsavonturen in de jaren 30, en daarna de Tweede Wereldoorlog, bevroren de judo-expansie. De wereld was nu meer bezig met de economische crisis en de oorlogszuchtige dictators. Ondanks zijn achtergrond in de gevechtskunsten, was Kano een pacifist, en keek met argusogen naar de militarisatie van Japan in de dertiger jaren. Misschien geloofde hij dat zijn geliefde Olympische Spelen de aandacht van de wereld op Japan zouden richten en de regering weg zou doen kijken van zijn oorlogszucht.

 

Kano woonde de IOC bijeenkomst in Cairo bij, in mei 1938 om het IOC om te praten ten voordele van de Spelen in Japan. In een deel van zijn speech, (opgenomen in het IOC) zei hij dat "sinds de revival van de Spelen, deze alleen in Europa en in de Verenigde Staten werden gehouden. Azie wil ze ook een keer organiseren.” Hij herhaalt de geschiedenis van de Japanse deelname, die elke keer groeide en nu al 300 deelnemers telt. “De Olympische idealen zijn bekend en gewaardeerd in heel Japan ...". (History of the Olympic Games. Bill Henry en Patricia Henry Yeomans, 1984.)

 

Japan werd echter snel een paria-land in de latere jaren 30, en zijn steeds maar groeiende militaire expansie werd als een bedreiging gezien voor zijn buren en de Europese belangen. Dat het IOC de Spelen naar Japan zou willen laten gaan, was voor een groot deel uit respect voor Kano, beschreven als een "revered Olympian." [Yeomans].

Kano stierf in dezelfde maand van 1938, en de Japanse regering annuleerde de Spelen in juli, omdat ze de oorlog verklaarde. Het IOC gaf de Spelen van 1940 snel aan Helsinki, Finland, de enige andere stad die had meegedaan voor de Spelen van 1940. Maar de Sovjet-invasie maakte veel kapot voor de Finnen, ook de Spelen. De Olympische fakkel van Los Angeles, gebouwd voor de Spelen van 1932, werd weer aangestoken gedurende de Spelen van 1940, als een triest en stil eerbetoon aan de Olympische geest die verpletterd werd door een oorlog.

 

Na-oorlogse geschiedenis

 

Na de oorlog, werden Amerikaanse burgers die in Japan waren als deel van de bezettingsmacht, aangemoedigd door Generaal Thomas Powers en Curtis LeMay om naar de Kodokan te gaan om judo te leren. Plotseling was het judo weer iets wat uit Japan kwam naar de rest van de wereld. Deze mensen hadden in veel gevallen gekeken naar of getraind met de technische reus van het judo, de 1.55 kleine Kyuzo Mifune. Mifune bepaalde in veel opzichten het na-oorlogse Kodokan Judo met zijn geweldige gratie en vaardigheid….

 

Mifune Sensei and Kudo Sensei benaderden Generaal Douglas McArthur en zijn assistent Generaal Curtis om de Kodokan te heropenen, niet als instituut voor gevechtskunsten, maar als een sport-intituut. Generaal LeMay was erg voor het judo en stond toe dat de Kodokan weer open ging.

Na de oorlog, in 1951, werd de Internationale Judo Federatie (IJF) opgericht, en in 1952, toen Japan formeel meedeed, werd Kano's (adoptief-)zoon, Risei, tot voorzitter gekozen. De faam van het judo verspreidde zich snel (…)

 

 

naar boven

 


 

c. Beoordeling: was de Kodokan alleen maar goed?

 

De geschiedenis van de Kodokan is een rooskleurig verhaal, terwijl dat van zijn tegenstrever, de Butokukai (zie hieronder) eigenlijk altijd een beetje triest is, de verliezersrol. Toch ligt de waarheid waarschijnlijk veel genuanceerder. De Kodokan is soms net zo triomfantelijk, als de Geallieerden na de oorlog. De winnaars staan altijd vóór en worden geprezen. Toch is het archief van de Kodokan nog meer gesloten dan de Vaticaanse archieven. Niemand krijgt de echte waarheid te lezen of te horen. Japan houdt zijn eer weer eens hoog.

 

De schaduwkanten van de Kodokan-geschiedenis, die voor een objectieve en evenwichtige geschiedenis zo nodig zouden zijn, komen daarom niet aan het licht. Wat was de rol van Mifune, die verder zo geniaal was, maar als ‘judogod’ betere papieren heeft dan als diplomaat? Wat was de rol van de Kano-familie? Was Risei een judoka of een politicus? Was de heropening van de Kodokan een nobele zaak, of een politiek spel van collaboratie met de bezetters van Japan, die toevallig door de geschiedenis aan de goede kant zijn geplaatst? Heeft deze toenadering het judo een dienst bewezen of gecorrumpeerd? Is het na-oorlogse Kodokan-judo nog wel te vergelijken met de oorspronkelijke weg, voor zover die nog te reconstrueren is?

 

De meesters van de Butokukai weken uit naar Europa, of werkten op de politie-academies, of gingen ondergronds (zie verderop). De meesters van de Kodokan gingen mee met de nieuwe stroom. Daarom werden oorspronkelijke principes door de Busen met verve verdedigd, tot en met de strijd tegen de Kodokan door Michigami met Anton Geesink als stormram (zie menu ‘judolegenden, punt 5). Terwijl de Kodokan gesloten is, en ze net doen alsof de traditie vanaf de oprichting ononderbroken is. Wat is waarheid? Een schrijver die werkt aan een nieuw boek over de judo-geschiedenis, een Europeaan (Belg?) die in Amerika woont met de schuilnaam Cichorei Kano, zegt heel genuanceerd: 

Ik denk niet dat de politiek van de Kodokan van slechte wil was. Het is de oude combinatie van het Japanse verlangen om recht te doen, niemand te kwetsen, gecombineerd met een soort onwetendheid en een gebrek aan academische vorming, protectionisme, en de lessen van het verleden. De Kodokan zou veel aangenamer en opener moeten zijn. Zeker, ze deden niet zulke fraaie dingen ten opzichte van de Butokukai, en velen die er banden mee hadden, zoals Ushijima en zijn buitengewone studenten, maar desondanks…

We zijn allemaal tot op zekere hoogte medeverantwoordelijk waarom de Kodokan is veranderd. Kijk maar… we zouden allemaal naar de Kodokan kunnen gaan, studeren, promoveren, waarom niet? Waarom veranderde het trouwens? Niet omdat de Kodokan dat wilde, maar omwille van de politiek van buitenlandse (non-gouvernamentele) organisaties en alle troep waarmee ze de Kodokan dwongen zijn politiek te herzien. (…)


Een deel van wat de Kodokan doet, zou ik willen noemen: "Kano-hagiografie" (heiligverklaring). Kano wilde dat zelf nooit. Hij schiep geen judo met de bedoeling om zijn portret in elke dojo te hebben hangen en daar aanbeden te worden. Kano schiep een judo voor het volk. De Kodokan vergeet dat wel eens.

Maar laten we ook fair zijn naar de Kodokan. Kritiek op de Kodokan is gemakkelijk, maar adequate oplossingen bieden is niet zo gemakkelijk. Geef toe, de meeste mensen die de Kodokan bezoeken hebben niet zoveel meer kwaliteiten dat de mensen in de Kodokan zelf – hoe zou de kwaliteit dan moeten verbeteren…?

 

Cichorei Kano, Judoforum 20-3-2008

 

naar boven

 

 


 

3. Butokukai en Busen

 

 

a. Budo Senmon Gakko

 

Budo Senmon Gakko (武道専門学校, Budō Senmon Gakkō?) (Butoku Gakko, Bujutsu Senmon Gakko, Busen) was een nationale school om jonge mensen Kendo te leren. De school was gevestigd in de Butokuden, een beroemde trainingshal in Kyoto. [zie foto rechts]

 

De behoefte aan de Busen kwam voort uit een nationalistische trend in Japan na de Sino-Japanese Oorlog (1894-1895). Dit nationalisme leidde tot een hernieuwde aandacht voor de "martial way".[zie b.]

 

De traditionele gevechtskunsten waren altijd onderdeel geweest van het standaard-curriculum van de Japanse scholen. De komst van Commodore Perry's "Black Ships" in 1853 veroorzaakte dat Japan haar archaïsche gevechtskunsten moest opgeven en open moest staan voor de westerse vuurwapens. [Zoals het hele Japanse Isolememt in deze periode werd doorbroken, M.] Gevechtskunsten werden als verouderd beschouwd en deel van Japan's feodale geschiedenis, en scholen stopten met het onderricht in traditionele gevechtskunsten.

Interesse in de gevechtskunsten ontstond [o.a.] opnieuw in 1873 toen Sakakibara Kenkichi, een trots man opgewonden was over het verlies van de traditionele zwaardvechterskunst en de gevechtskunsten. Hij arrangeerde een serie uitvoeringen door bekende gevechtskunsternaars, gekken kogyo genoemd (gekiken of gekken = kendo, kogyo=performance). Ondanks de toegangsprijzen, werden deze evenementen immens populair en ontstond hernieuwde interesse voor de gevechtskunsten.

In 1880 had de politie het belang van Kendo en andere traditionele gevechtskunsten in de gaten en schreef voor dat alle leerling-agenten onderricht in Kendo moesten krijgen.

Deze populariteit wekte ook de interesse van het onderwijs. (...) Dat leidde er toe dat enkele mensen, vooral Ozawa Unosuke en Nakajima Kenzo, probeerden een aanpassing van de gymnastiekles op basis van bujutsu te realiseren. (…)

 

1895 was het 1100e jubileum van Kyoto als hoofdstad van het keizerrijk Japan. Van Keizer Kanmu wordt gezegd dat hij de Butokuden (Hal van Gevechtsdeugden) liet bouwen om de gevechtsgeest te promoten en krijgskunst aan te moedigen. Ter herinnering daaraan werd de Dai Nippon Butoku Kai (Butoku Kai) in Kyoto opgericht, resorterend onder de minister van opvoeding. De stichting van de Butokukai was een belangrijk keerpunt in het streven om de gevechtskunsten weer op het schoolprogramma te krijgen. De doelen van de Butokukai waren, om het spectrum van gevechtskunsten te standaardiseren over heel het land.

 

In 1905 werd er een divisie van de Butokukai opgericht om bujutsu-leraren op te leiden. Dit systeem werd weer gereviseerd en verbeterd en leidde tot de vorming van de Butoku Gakko (School van Gevechtsdeugd) in 1911. Deze werd bekend als de Bujutsu Senmon Gakko (Bujutsu Specialisten School) in 1912, en later de Budo Senmon Gakko in 1919 waar de term 'budo' officieel werd vervangen door 'bujutsu'. De Budo Senmon Gakko (of Busen als het meer werd genoemd) was samen met de Tokyo Koto Shihan Gakko (Tokyo Hogere Normaal School) de gewone weg om jonge mensen op te leiden om in het hele land de kinderen de gevechtskunsten te leren.

 

Budo Senmon Gakko bracht uitstekende leraren voort, tot de Tweede Wereldoorlog, waarna de school werd gesloten. (Wikipedia) Waarom, is duidelijk als we het volgende lezen:

 

 

naar boven

 


 

b. Het militaristische karakter van het Japanse Keizerrijk voor de tweede wereldoorlog

 

Op veel verschillende manieren poogde het militaristisch regime de jeugd tot patriottische, loyale en krijgshaftige onderdanen te maken. Sommige methodes waren meer succesvol dan andere; met name de consistent volgehouden militaristische en nationalistische ondertoon in het onderwijs deed zijn werk. Dit kwam mede doordat deze eerste methode door de jaren heen geleidelijk werd opgebouwd en aangescherpt, terwijl de plotselinge maatregelen vlak voor en tijdens oorlogstijd niet zo rustig geaccepteerd werden door de jeugd.

 

De invoering van het bovengenoemde 'Keizerlijk edict op de opvoeding' in 1890 en de vage bewoording die erin gebruikt werd, maakte dat de nationalistisch gezinde bewindslieden steeds meer uitgesproken pro-Japanse elementen in het normale curriculum konden inbrengen, zonder enige vorm van tegenstand. Na 1900 werd het Edict ook steeds meer aangegrepen als middel om westerse en christelijke invloeden, alsook het communisme te bestrijden. Het eveneens bovengenoemde principe van Kokutai speelde ook een grote rol. Om goed aan het volk uit te leggen wat deze nationale filosofie inhield, maakte een werkgroep van filosofen, waaronder Tetsurō Watsuji en Shin'ichi Hisamatsu in 1937 een handboek. Het 156 pagina's tellende kokutai no hongi ('De essentie van de nationale geest') werd uitgedeeld aan scholen en allerlei maatschappelijke organisaties. Het bevatte een samenraapsel van mythologie en ideeën die de Japanse superioriteit moesten staven, alsook Confucianistische deugden en Bushidō , de traditionele ethiek van de samurai. Het was in al zijn facetten uiterst antiwesters en moest in een adem door de Japanse militaire campagnes in Oost-Azië verantwoorden. (...)

 

Vanaf de lagere school werden een paar lesuren per week besteed aan een op maatschappij- of zedenleer gelijkend vak, genaamd shūshin. In dit vak werden er samen met de leerkracht moraliserende teksten gelezen en geanalyseerd. Het geheel was gebaseerd op de klassieke deugden (jingi chūko) ten tijde van de Tokugawa-periode (1600-1868), maar gemoderniseerd met elementen uit het Staatsshinto, nationale feestdagen en (militaire) heldendaden uit de geschiedenis. In het hoger onderwijs gingen deze morele lessen onder de naam kokumin dōtoku ('nationale moralen'), wat een ingewikkelder, meer filosofisch ingestelde vorm van shūshin is. Eind jaren '30 werd de naam veranderd naar kōdō ('keizerlijke weg'), en werd nog nationalistscher van aard.

 

Ook het lesmateriaal van andere vakgebieden was doordrongen van een sterk nationalisme en werd voor publicatie zeer streng geïnspecteerd en gecensureerd. Ook was het niet vreemd om termen te horen als 'Japanse geneeskunde' en 'Japanse wiskunde'. Eveneens werden de lessen in vreemde talen steeds meer gekortwiekt. De westerse leerkrachten die men tijdens de Meiji-periode had laten overkomen om hun kennis te delen, waren tegen die tijd allang niet meer aanwezig...

 

naar boven

 


 

c. Beoordeling: de spanning tussen Jigoro Kano, de Kodokan en de Butokukai.

 

Jigoro Kano was, zoals bekend, als opvoeder en professor lange tijd in dienst van de Japanse overheid. Hij moest in 1905 ook toezien dat zijn Kodokan judo werd ingebed in de nationale krijgskunstschool van de Butokukai en zijn regels mede door de Butokukai werden bepaald. Het is niet geheel duidelijk wat Kano heeft gedaan om zijn eigen judo te behouden in zijn oorspronkelijke vorm. Wel staat vast, gelet op alles wat er verder op deze webpagina is geschreven, dat Kano zich vanaf 1909 steeds meer ging losweken van de onderwijs-baan in Japan, en zich internationaler ging orienteren via het IOC en zijn reizen. Vast staat dat het judo in zijn filosofie een hele andere weg voorstond dan de militaire - zoals overigens de meeste intellectuelen in Japan toendertijd. In ieder geval was er ook een groot spanningsveld tussen Kano en enkele hooggeplaatsten in de Butokukai, (vooral Kudo Nishikubo), over de onafhankelijke opstelling van de Kodokan tegenover de Butokukai.

 

Het is moeilijk om exact te zeggen wat Kano vond, omdat hij aan de ene kant een trotse Japanner was en daarmee ook nationalistische trekken had. Aan de andere kant was hij juist anti-militair in de zin dat het judo door het principe van seiryoku zenyo per se uitgaat van de natuurlijke manier van vechten, en daarmee elke gevechtskunst overstijgt. Kano werd, zeker na zijn reizen door de wereld na de eerste wereldoorlog, steeds duidelijker een pacifist, waar zijn principe van jita kyoei van getuigt. Oorlog heeft geen nut, vrede bouwt mensen op. Daarin stond hij lijnrecht tegenover de militairen en dus ook de Butokukai. Zei hij dat openlijk? Het is de vraag of hij, als hij dat had gedaan, nog ooit een vredesmissie zou hebben kunnen ondernemen, en zijn Kodokan was blijven bestaan. De utilitarist Kano koos eieren voor zijn geld en zweeg... Als de Kodokan-archieven eens open gaan, zal de wereld mogelijk weten hoe Kano desondanks heeft gevochten in de strijd tegen de mitarisering van Japan. Maar nu weten we eigenlijk bijna niets.

 

In ieder geval was het verschil tussen de oorspronkelijke Kodokan en de Butokukai wel globaal-schematisch in te delen:

 

 

Kodokan

Pedagogisch: westerse invloeden

Onderricht: theorieles en praktijk (modern)

Filosofie: vreedzaam

Gevechtskunst: puur judo

Missie: open: judo ook buiten Japan verspreiden

Thuisbasis: Tokyo

Karakter: progressief

 

 

Butokukai

Pedagogisch: traditioneel-Japans

Onderricht = de weg van de klassieke krijgskunst

Filosofie: militaristisch

Gevechtskunst: syncretistisch (Kendo, judo, karate, etc.)

Missie: gesloten: judo als deel van nationaal systeem

Thuisbasis: Kyoto

Karakter: conservatief

 

 

 

In 1946 werd de Butokukai verboden door de Geallieerden, uiteraard omdat alles wat in Japan militair was niet meer kon worden toegelaten. In termen van goed-fout was de Butokukai natuurlijk helemaal de verkeerde partij, de meeste leiders waren erg rechts en stonden met de keizerlijke bescherming pal tegen de geallieerden – geen lieverdjes. Al is dat altijd de lezing van de 'winnaars'. Het zal allemaal wel minder zwart-wit hebben gelegen. Busen-mensen als Kenshiro Abe (geb.1915) waren in elk geval ook pacifisten.

 

Zie voor de gedetailleerde geschiedenis van de 'Budo-ban' en de heroprichting van de Kodokan en het judo op: ejmas.com (engels).

 

Na 1946 werd er alleen nog een nieuwe vorm van Kodokan-judo toegelaten, op voorwaarde dat het een ongevaarlijke en vreedzame ‘sport’ zou worden. (Kano was toen 8 jaar dood.) Daaruit is later de IJF (1951) ontstaan - als eerder gezegd. In feite is dit nieuwe judo natuurlijk noch oorspronkelijk Kodokan-judo, noch Butokukai-judo. 

 

Er waren echter een heel aantal leerlingen van de Butokukai die in Europa verbleven, leerlingen maakten, en de belangrijksten onder hen waren misschien wel sensei Kenshiro Abe in Engeland (zie menu 'judolegenden'), en Haku Michigami (geb.1912) en Mikonosuke Kawaishi (geb.1899) in Frankrijk. Dezen hadden ook geweldige invloed op het Nederlands judo. (zie verderop en het menu 'judolegenden'.)

 

De Butokukai leefde echter op een nieuwe manier voort. Kenshiro Abe was leraar aan de Kyoto Politie Academie, wat vanaf de oorlog ook een belangrijk opleidingscentrum was - ook voor judoka uit het westen. Na de vrede van San Francisco in 1952, kreeg Japan haar soevereiniteit terug. In 1953 werd de Dai Nippon Butoku Kai opnieuw opgericht met een nieuw charter en een nieuwe filosofische visie. Het nieuwe handvest van de DNBK legt de nadruk op "het behoud van de traditie van de klassieke gevechtskunsten en legt de nadruk op restauratie van het efdeel, de wetgeving, en de deugden van de gevechtscultuur en het promoten van opvoeding en dienstbaarheid door middel van de training van de gevechtskunsten." (dnbk.org)

 

Een erg goede analyse van de 'politieke strijd' maakt Cichorei Kano op het Judoforum:

Was het werkelijk WO-II of was en is het de politiek van de Kodokan ? Was de rol van de Kodokan in de sluiting, of beter in het niet-heropenen van de Busen en de Butokukai (de Butokukai was veel later in een andere vorm heropend) echt zo onschuldig als sommigen zouden denken? En waren de motieven van Kano-shihan bij het 'verspreiden' van het judo en 'promoten' van mensen als Koizumi en Tani echt zo nobel als over het algemeen wordt gesuggereerd ? Het lijkt er op dat de Kodokan nooit de grote judoka van de Butokukai op dezelfde wijze heeft gewaardeerd als ze deed voor de eigen judoka. De grote Isogai wordt zelden genoemd door de Kodokan, in tegenstelling tot Mifune of Nagoaka of Yamashita of Kotani die altijd meer beschouwd zijn als de ware Kodokan-mensen. Andere legendarische sensei als Kanemitsu en Kurihara zijn ook bijna vergeten om dezelfde redenen. En bovendien, als je daarover nadenkt, hoeveel echt grote judoka heeft de Kodokan eigenlijk voortgebracht? Niet zoveel, niet in vergelijking met de Butokukai. Noch Kimura, noch Hirano waren van de Kodokan, en het was de legendarische Ushijima die voor hun beider succes zou moeten worden geëerd, en niet de Kodokan. In de woorden van Ushijima zelf, zou nog meer de net zo legendarische Toku Sanpo de eer toekomen, en weer niet de Kodokan. Als iemand dat patroon herkent, is het niet zo verwonderlijk dat Abe's laatste levensdagen niet zo groots verliepen. (zie voor sommige namen ook het menu 'judolegenden')

 

(Cichorei Kano, 17-4-2006)


 

d. Kyushindo : Neo-Butokukai op zijn Engels

 

 

Kyushindo is een syncretistische en eigenzinnige theorie van een eigenzinnig mens, Kenshiro Abe. Vooral in Engeland is deze lijn vanuit de Butokukai nog invloedrijk. Het staat ook geheel in de lijn van de Butokukai, niet alleen omdat Abe van de Busen was, maar ook in de zin dat het een centraal filosofisch levensprincipe wil zijn wat de Budo-kunsten samenbrengt. Neo-Busen, omdat er nu geen centrale organisatie is die de kunsten vereent, maar wel een sterk Japans principe. Waarin het echter geheel afwijkt van de Butokukai is, dat het zo geweldloos is. Abe had ook na zijn ervaringen in de oorlog en in de leerschool van Aikido-oprichter Ueshiba genoeg van de moderne tijd vol wapengeweld en overheersing. Daarin was hij vreemd genoeg toch óók weer op de Butokukai-lijn. Want ook de Butokukai greep - uit onbehagen - terug op een verdwenen Japanse cultuur. Retrospectief, conservatief, romantisch zelfs. Idealen terughalen. In de Kyushindo kan men zien, dat de Busen-lijn op meerdere manieren uit te leggen is: zowel militair als strikt geweldloos.

  • Voor wie meer wil lezen over Kyushindo: kijk in het menu 'judolegenden' bij punt 3: "Kenshiro Abe"  of klik hier. U kunt na lezing van dit intermezzo weer terugklikken naar dit punt.

Wat deze nieuwe interpretatie van de oude Butokukai-weg wél duidelijk maakt, is dat deze neo-busen-filosofie eigenlijk misschien wel meer op de lijn van de oorspronkelijke Kodokan en de leer van Kano zitten dan de moderne Kodokan. De moderne Kodokan is niet meer of minder dan een sport-organisatie, en niet de exculsieve erfgenaam van de oorspronkelijke judoleer. De rol wereldwijd van de Kodokan is eigenlijk al sinds het dramatische verlies van de Japanse judo-hegemonie in 1964 (de Olympische overwinning van Anton Geesink op de Japanse nummer één), helemaal uitgespeeld. Het heeft wat om in Japan te trainen, en het land van het oorspronkelijk judo te bezoeken, maar traditioneel judo kun je ook in Engeland leren. En of het IJF zich erfgenaam mag noemen van 'het' judo is in juridische zin wel duidelijk, maar in filosofische zin veel minder.

 

Was vóór de Tweede Wereldoorlog, in de nadagen van Jigoro Kano al minder duidelijk aan het worden hoe edel de rol van de Kodokan als organisatie was - toen was in elk geval duidelijk dat de 'tegenstrever' (de Butokukai) in haar militair-nationlistische weg niet de oorspronkelijke judoweg bewandelde. Na de oorlog, na de heroprichting van de Sport-Kodokan, hebben enkele leraren van de oude Busen-school hoe dan ook laten zien, dat hun judo qua filosofie goed in elkaar zat (zie ook menu 'judolegenden') en ook kon bijdragen tot de overwinning van deze lijn in de persoon van Anton Geesink. Het oorspronkelijk judo was niet meer van Japan en de Kodokan, maar van de hele wereld, van hen die de weg van de oorspronkelijke principes begrepen. Mannen als Michigami, Abe en Hirano waren daarvan de exponenten en hun geest leeft verder in het Europees judo.

 

   naar boven

 

In Engeland leeft deze zoektocht verder in de BJC:

 zie bovenstaand boek.

 


 

4. Geschiedenis van het Nederlands judo

 

 

a. De leraren van het Nederlands judo en de eerste judoscholen.

 

 

Het eerste begin - voor de oorlog

 

Na de komst van Yukio Tani (1899) in Londen, bereikten jûdô en ju-jutsu het Europese continent. Omstreeks 1910 gaf de dansleraar  P.M.C. Toepoel als eerste in 's-Gravenhage les in ju-jutsu, De oefenstof haalde hij uit een boekje (‘verdediging tegen fietsendieven en honden’) gevolgd Wladimir Kasulakoff, Maurice van Nieuwenhuizen en A.W. Tops. In Amsterdam was het de Japanner Yo die een school opende. Zijn belangrijkste leerling was L. Boretius. In Den Haag was de gentleman Maurice van Nieuwenhuizen de grote man. Deze timmerde veel aan de weg en wist in Nederland de publieke opinie voor zich te winnen. Hij was het die als voorbeeld werd gebruikt voor de ‘veel besproken’ en gelezen Dick Bos boekjes van Alfred Mazure. In 1938 opende Johan van de Bruggen in Rotterdam zijn ju-jutsu en jûdôschool. Toen echter zijn school in de oorlog werd platgebombardeerd trad hij bij Maurice van Nieuwenhuizen in dienst als leraar.

 

Voor de Tweede Wereldoorlog was het ju-jutsu in West Europa een soort "esoterische mengeling van geheime kunst en gymnastiek" en beperkte zich in Nederland tot privé-clubjes en kleine sportscholen. Men sprak hier over ‘super’ ju-jutsu, ‘diepte’ ju-jutsu en ‘hogeschool’ ju-jutsu en betwijfelde (vaak terecht) de kwaliteiten van elkaar methoden, zonder echter tot een testontmoeting op de mat te komen.

 

Op 29 januari 1939 was op initiatief van Maurice van Nieuwenhuizen de ‘Nederlandsche Jiu-Jitsu Bond’ (N.J.J.B.) opgericht, waarin zich reeds kort na de bevrijding de eerste organisatorische moeilijkheden voordeden ten gevolge van persoonlijke sympathieën en antipathieën. Opvallend was toen al de grote strijd tussen de twee stromingen met Boretius enerzijds en van Nieuwenhuizen anderzijds. In de oorlog zocht de Amsterdammer Gé Koning, als belangrijkste leerling van Boretius kontact met de N.J.J.B. Direct na de oorlog ontwikkelden Jaap Nauwelaerts de Age, Gé Koning en Bob van Nieuwenhuizen het NaKoNi-systeem, één van de jiujitsu methodes die in Nederland nog steeds gebruikt wordt.

 

Het vervolg - na de oorlog

 

Na de tweede wereldoorlog gingen Jaap Nauwelaerts de Age (uit Haarlem), Gé Koning (uit Amsterdam) en Jan Snijders (uit Utrecht), de boer op om het Jûdô te leren. Jaap Nauwelaerts de Age ging daarvoor veel naar Engeland (o.l.v. Gunji Koizumi), Jan Snijders (zijn dôjô: ‘Eerste Utrechtse Judo en Jiu-Jitsu School’) naar Frankrijk (o.l.v. vooral van Jean De Herdt en Haku Michigami), terwijl Gé Koning naar beide landen ging. Naast de ‘N.J.J.B.’ werd op 3 oktober 1946 opgericht ‘Judokwai Nederland’ (J.K.N.) door de stuwende kracht van J.D. (Dick) Schilder. In 1947 kwam voor het eerst het ‘echte’ jûdô opgang in ons land.

 

De ‘zachte weg der waarheid’ werd ons gewezen door Gunji Koizumi (1885-1965), T.P. Leggeth, Ted Mosson en George Chew uit Engeland, Dr. Garaix en Dr. Jean Beaujean uit Frankrijk en F. Minführ en P. Buchele uit Oostenrijk. Ruim één jaar later, op 30 oktober 1948, telde Nederland zes judoka met de 1ste Dan en vier met de 1ste Kyû.

 

Op initiatief van Gunji Koizumi kwamen in oktober 1948 enige groeperingen bijeen, te weten ‘Nederlandsche Jiu-Jitsu Bond’ N.J.J.B. (1939), ‘Judokwai Nederland’ J.K.N. (1946) en de ‘Nakada’- clubs en werd als overkoepelende organisatie de ‘Nederlandse Judo Associatie’ (N.J.A.) opgericht, die dezelfde maand de eerste landelijke sportdag organiseerde met enkele prominente Franse yudansha als gasten. Sindsdien ging het jûdô in Nederland met sprongen vooruit wat de belangstelling betrof; het technisch peil steeg door vele bezoeken van Japanse en Koreaanse jûdô meesters snel, doch uiteraard geleidelijker. Op organisatorisch gebied onderscheidde vooral Jaap Nauwelaerts de Age zich. Samen met de Italiaan Torti en de Engelsman John Barnes richtte hij in 1949 de Europese Judo Unie (E.J.U.) op. De volgende stap kon niet uitblijven. De Europese Judo Unie, onder aanvoering van opnieuw Jaap Nauwelaerts de Age, werd in 1951 de Internationale Judo Federatie (I.J.F.) opgericht met als president Reiso Kanô.

 

De ‘N.J.A.’ werd echter na ruim een jaar al weer opgeheven, toen de meeste beoefenaren van jûdô en jiujitsu in de ‘N.J.J.B.’ waren verenigd. Vele organisatorische moeilijkheden, die hun oorsprong hadden in de controverse tussen amateurs en professionele leerkrachten, leidden tot de oprichting van de ‘Nederlandse Amateur Judo Associatie’ (N.A.J.A.) in 1950. Naast N.J.J.B., N.A.J.A. en J.K.N. ontstonden later ook nog kleine groeperingen, zoals N.J.J.A. (1956),  V.N.J.B. en de N.J.F (1961).

 

Dat in die jaren van verdeeldheid vreemde dingen zijn gebeurd op bijna elk terrein, bijvoorbeeld ten aanzien van techniek, gradueringen, instructie en organisatie is niet te verwonderen. (...) Gelukkig waren er jûdôka's, die begrepen dat het judo in Nederland alleen maar gebaat kon zijn bij samenwerking in een zo groot mogelijke eenheid. Oriënterende besprekingen in 1955 en voorzichtige onderhandelingspogingen daarop volgend leidden (na diverse onderbrekingen) op 21 oktober 1963 (“het akkoord van Utrecht” volgens Jacques J. Brakel) o.l.v. Dr. W. van Zijll van de ‘Nederlandse Sport Federatie’ tot de ‘Federatie van Nederlandse Judo en Jiu-Jitsu Bonden’ (F.N.J.J.B.), bestaande uit N.J.J.B., N.A.J.A., J.K.N. en N.K.J.B.

 

Langzamerhand kreeg men meer begrip voor de wederzijdse kwaliteiten, zowel op technisch als op organisatorisch terrein. Diverse leraren hebben getraind onder leiding van Jean De Herdt, Ichore Abe en Haku Michigami. Anton Geesink kwam als een komeet omhoog aan het kampioensfirmament.

 

Het N.A.J.A. kader kreeg incidentele instructie van Tsunetane Oda, Gunji Koizumi, Dr. Hanho Rhi († 18-9-1960) en dankzij de regelmatige instructies van Tokio Hirano en Choi In Do steeg ook daar het technisch peil met als resultaat Dr. G.F.M. Schutte, die - ondanks alle organisatorische verwikkelingen - Europese vermaardheid heeft verworven met zijn ne-waza instructie. [Kenamju (volledig KENnemer AMateur JUdoclub) was de eerste amateur judoclub van Nederland, opgericht in 1948 door de Haarlemse tandarts "opa Schutte" en in 1970 voortgezet door Cor van der Geest.]

 

Na de overeengekomen twee jaren werd in oktober 1965 het bestaan van de ‘F.N.J.J.B.’ met een jaar verlengd, daar de noodzakelijke fusievoorbereidingen nog niet geheel gereed waren; helaas vond de J.K.N. het toen wenselijk om de federatie te verlaten. De federatieve samenwerking was zeer nuttig, daar men met behoud van eigen autonomie de gelegenheid had om naar elkaar toe te groeien. Tenslotte werd op 7 oktober 1966 de fusie in de Nederlandse jûdôwereld een feit: N.J.J.B. en N.A.J.A., alsmede de N.K.J.B. verenigden zich in een ‘nieuwe’ N.J.J.B. onder nieuwe statuten.

Stap voor stap werd de (re-)organisatie ter hand genomen; vernieuwingen in het bestuur en commissies, herzieningen van reglementen, opleidingen en graduaties; de J.K.N. is in 1969 tenslotte opgegaan in de N.J.J.B. en nog steeds is alles in beweging.

Spanningen zijn in een dergelijke organisatie onvermijdelijk, hetgeen (te) vaak in de pers is gebleken. Op een bijzondere ledenvergadering van de N.J.J.B. op 21 november 1970 werd besloten de naam te wijzigen in "Budo Bond Nederland", B.B.N., met een dusdanige structuur, dat iedere beoefenaar van één of meer budosporten bondslid kan worden.

Op 20 april 1974 werd door de bondsvergadering een ‘Reorganisatiecommissie’ benoemd met als taak bestudering van de problematiek met betrekking tot de organisatie van het bondsapparaat. De bijzondere bondsvergadering van 23 november 1974 gaf het fiat om uitvoering te geven aan de voorgestelde herstructurering van de bond conform het reorganisatierapport van 1 november 1974.

Per 15 september 1979 werd in de bijzondere bondsvergadering een naamswijziging doorgevoerd van ‘Budo Bond Nederland’ B.B.N. naar ‘Judo Bond Nederland’, J.B.N. Op 1 mei 1982 is de, vooral in het zuiden van het land opererende, Nederlandse Judo en Jiujitsu Associatie met al haar leden en leerkrachten tot de Judo Bond Nederland toegetreden.

 

bron (met kleine wijzigingen voor de duidelijkheid): jbn.nl/bondsvademecum/hoofdstuk 1

 

 

naar boven

 


 

b. Budosenmon en de Kodokan in Nederland: de kata-strijd

 

 

Een eigen toepassing en interpretatie van Chris de Korte over de Butokukai en de kata-strijd in Nederland:

"... Een aantal jaren na de oorlog werd het weer toegestaan om onder streng toezicht van de Japanse overheid het onderwijs van Budo disciplines en natuurlijk ook Judo wederom op te zetten. Echter Japan was door de internationale gemeenschap door hun oorlogsverleden aan strenge regels gebonden. 
 

De Nederlandse judogeschiedenis is ontstaan doordat in de jaren 50 Japanse leraren uit Japan naar Europa zijn gekomen. Het Nederlandse Judo heeft vooral veel invloed gehad van leraren die geschoold waren in de Budosenmon, het opleidingsinstituut van de Dai Nippon Butokukai organisatie te Kyoto waar de hoofdzetel gevestigd was. Hierdoor heeft Nederland altijd in het verlengde van de Budosenmon en volgens hun visie de Judo Kata gedoceerd en uitgevoerd.

 

In de zestiger jaren en de jaren daarna zijn er enkele Judoleraren gekomen die zich deze scholing eigen hebben gemaakt in Japan en in Nederland en hebben zodoende deze Budosenmon methode van Kata onderwijs voortgezet. Doordat er sinds een paar jaar Judo leraren actief de Kodokan methode van Kata uitvoering bestuderen is er een vergadering belegd alwaar beide uitvoering wijze zijn getoond en besproken. Tijdens deze vergadering van het College Hogere Danhouders Judo, welke door de Commissie Hogere Danhouders Judo en de leden van de Nationale Graden Commissie Judo op 05 juni 2005 werd gehouden is – door stemming – besloten dat vwb. de uitvoering van de Judo Kata een tweesporenbeleid zal worden gevoerd, nl.  de zienswijze van de Budosenmon, en de zienswijze van de Kodokan."   (bron: JBN)

Klopt dit? Mitesco neemt daarin geen pro- of contra standpunt bij in, maar geeft alleen een bedenking weer vanuit historisch standpunt. Het is natuurlijk duidelijk, dat het judo in Nederland sterk getekend is door de Busen, en in zekere zin ‘anti-Kodokan’ genoemd mag worden. Michigami was ook al in Geesinks tijd adviseur van de JBN en dat gaf toen al spanning naar de Kodokan en Japan (zie de geschiedenis van het Bomshell Announcement van Michigani in het menu 'judolegenden').

 

Wat nu echter doorgaat voor Busen-judo, is in feite niets anders dan het Busen-judo van vóór 1946, omdat er daarna geen officiele ontwikkeling meer geweest is. De heroprichting van de Butokukai, en later de DNBK (Dai Nippon Butoku Kai) als organisatie, is meer een cultureel verband voor alle gevechtskunsten, dan een judokoepel – daarin kan ze niet tegen de IJF op. In Nederland is de Busen-lijn sterk bewaard, in Engeland en Italie ook. Alles wat Europeanen via Abe, Michigano, Kawaishi en Hirano hebben geleerd, is in elk geval traditioneel judo van voor 1950, qua techniek en uitvoering. Het is met Busen als met het Hebreeuws in Israel. Het oorspronkelijke Hebreeuws was alleen in de letters bewaard, maar een dode taal geworden tot 1948. wat men in Israel nu spreekt is neo-Hebreeuws. Het is het wel en niet. Wat nu in Nederland voor Busen doorgaat, is een vorm van traditioneel Europees judo met moderne aanpassingen. Het enige wat zeker klopt, is dat de sensei's in de traditie van de Butokukai staan...

Niet zo lang gelezen werd ik geconfronteerd met mensen die claimen de kata te doen volgens de Butokukai standaard en niet die van de Kôdôkan, en in Holland is het iemand nu toegestaan een van beide te laten zien bij dan-examens. Een boodschap van die strekking van Holland's kata-specialist de Korte is te lezen op de website van de JBN. Dit klinkt allemaal goed, maar in feite is het niets meer dan een hoop onzin. Niemand van de mensen die claimen de Butokukai jűdô-kata te doen, zijn ooit in de Butokukai geweest, laat staan dat ze daar jűdô hebben geleerd, en geen van hun eigen senseis. De Butokukai was gesloten in 1946, wat 60 jaar geleden is. Neem aan dat iemand 18 jaar was toen hij de Butokukai binnenging, wat zou betekenen dat hij nu 78 jaar oud zou zijn. Nou, bedenk dan dat de Butokukai in Kyôto was en niet in Tôkyô. Degenen die er geweest zijn of ver weg van Tôkyô kunnen je vertellen dat zelfs vandaag de kennis van het Engels onder de mensen in Kyôto nog extreem beperkt is. 78 jaar geleden, zonder TV, video, of misschien een Japanese-Westers woordenboek, hoeveel mensen zouden in staat zijn om full-time les in het Japans te volgen? Heel weinig. Maar wat veel belangrijker is: er is niet zoiets als een Butokukai-stijl nage-no-kata of andere kata. In 1906 werden de standaarden voor sommige kata overeengekomen, en natuurlijk waren er individuele verschillen, en natuurlijk was Isogai in Kyôto terwijl Kanô, Nagaoka, en Yamashita in Tôkyô waren. Maar de boeken van Isogai geven geen andere manieren van kata dan de boeken van Nagaoka of Yamashita. Het enige verschil is, dat elke evolutie van kata in de Butokukai ophield aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, terwijl de ontwikkeling in Kyôto doorging. Mensen als Kenshirô Abe en Tokio Hirano, die zelf in de Busen waren geweest, hadden de meeste van hun technieken natuurlijk niet geleerd in Tôkyô maar in Kyôto - maar dat was voor de kata niet zo verschillend. Wat verschillend is, dat toen Hirano en Abe (Kenshirô) kata-onderricht gaven in Europa, ze doorgaven wat ze jaren geleden zelf hadden geleerd, dus zonder de updates, dus eerder een kronkelweg. Pas toen zij weg waren en mensen zelf naar Japan gingen en andere Japanse meesters op bezoek kwamen, werden deze updates geintroduceerd. Deze geschiedenis is relevant voor de huidige discussie in termen of het acceptabel is om kata te beoefenen in een stijl die anders is dan wat de Kôdôkan vraagt?

(Cichorei Kano, Judoforum 18-11-2006)

 

Wat zou het verschil kunnen zijn tussen de Busen-kata van de oude meesters als Abe, Michigami en Hirano, vergeleken met de Kodokan-kata? Dezelfde Chichorei Kano zegt daarover heel kort:

 

    Typerend voor de kata van deze sensei was, dat ze meer werd bepaald door effectiviteit en realisme, dan door formaliteiten.

(Cichorei Kano, Judoforum 18-9-2008)

Waarschijnlijk is dat waar en is dat ook het enige wat echt hout snijdt in de hele discussie. Het verschil tussen levend judo en vormelijk judo. Een strijd die nu door alle scholen heen loopt, en vandaag de dag dé uitdaging is voor de Kodokan-kata-experts: hoe houden we kata een levende, vloeiende beweging, om het met Hirano te zeggen: een nami (golf), uitdrukking van de diepste principes van ju in kata.  

 

De strijd tussen Kodokan en Butokukai is op die manier eigenlijk een strijd geworden van het verleden. Er is nu maar één wereldwijd dominant judo en op wedstrijdniveau is het resultaat belangrijk. Daarin zien we dat de lijnen van andere invloeden dan de Kodokan erg effectief zijn, zoals al in de jaren 60 met Ruska en Geesink bleek dat de Kodokan-hegemonie ten einde was en de Busen alsnog het gevecht wonnen. In Amerika is het judo sterk door BJJ beinvloed; in Rusland en Oost-Europa door Sambo en bij ons dus door de Busen. Daarmee zijn wij sterk in shiai ;  het vermengen van gevechtskunsten en invloeden - anders dan alleen de zuivere Kodokan-stijl - is effectief. Ook binnen de IJF en EJU is dit syncretisme geen probleem meer. Het is zelfs de vraag in hoeverre in het IJF de niet-Kodokan-stijl voor shiai het al heeft gewonnen.

 

Alleen op het gebied van de kata is het laatste woord helaas nog niet gezegd. BJJ en Sambo kennen geen kata (ne-waza is ook nauwelijks kata-compatibel) en kata is sowieso (helaas) iets van de hogere dangraden. Een strijd op de achtergrond dus.

 

Wat dus wel op de voorgrond blijft spelen, is de strijd tussen het dominante 'sportjudo' en het 'traditioneel judo'. In Nederland lijkt deze strijd niet te bestaan, maar in Engeland en Italie speelt dat heel duidelijk. Daarbij wordt de budo-filosofie van de Butokukai als breekijzer en historische legitimatie gebruikt, maar ook hiervoor geldt: welke Butokukai? De Kyushindo? Dat is dan op zijn zachtst neo-busen. Wie judo beoefent in de lijn van Abe of Hirano staat in een zekere traditie, maar om dat toe te schrijven aan de Butokukai of de oorspronkelijke Kodokan, is niet juist. Uiteindelijk is het zo, wat Hanon-sensei schrijft:

Ik schreef in mijn boodschap over tai otoshi dat elke hoog-getalenteerde judoka die deze techniek als zijn tokui waza (favoriet) kiest kleine maar veelbetekende verschillen er in maakt. Dit is niet uniek voor Hirano sensei of Watanabe Kisaburo sensei, Kaminaga Akio sensei etc, die allemaal een geweldige tai otoshi hadden. Al deze versies pasten bij hun lichamelijke gestel, hun psychologie en hun spirit. Niemand kan proberen hun waza te kopieren en niemand zou dat moeten willen, of je bent geschift. We zijn geen klonen van onze sensei en iedere leerling die zich ontwikkelt en zelf leraar wordt, zal een eigen weg hebben om elke waza in de gokyo uit te voeren.

 

(Mike Hanon, Judoforum 13-7-2008)

En daarom is er nog wel een Busen-traditie, maar bestaat er geen echte Busen meer.

Om de Busen in de termen van onze tijd te begrijpen zou onmogelijk zijn. De training en discipline zouden in onze tijd nooit meer worden getolereerd. De meeste Busen waren afstammelingen van de Samurai. De bushido-code zal sterven met Awazu Sensei. Het is misschien het beste zo?

 

(Mike Hanon, Judoforum 18-9-2008)

 

 

naar boven

 

 


 

 

5. Ne-waza Varianten: Kosen, Brazilian ju-jutsu en Sambo

 

 

a. Kosen en Gracie – of Braziliaans ju-jutsu

 

In 1904 ging Mitsuyo Maeda, een 4e dan van de Kodokan, op reis door de wereld, en kwam ook in Zuid-Amerika, in Brazilie, waar hij bij Japanse expats woonde. Daar was ook Gastao Gracie, die aan Maeda vroeg om zijn zoon Carlos de gevechtsstijl te leren. Carlos leerde op zijn beurt zijn broers, waaronder Helio, het vechten, en zo werden zij de oprichters van Gracie ju-jutsu. 

Gracie ju-jutsu's nadruk op grappling- en  submission-technieken is interessant in het licht van Maeda's Judo achtergrond. De ne-waza technieken waren eigenlijk pas na 1900 in het ju op de voorgrond gekomen. Maeda, die in 1897 in de Kodokan was gekomen, maakte de eerste ontwikkeling van het Kosen-judo mee.

In 1914 was het Japanse schoolkampioenschap judo op de universiteit van Kyoto. Op dit toernooi lag de nadruk op ne-waza en de scholen (De Kosen-scholen of universiteiten) die deelnamen waren zo trots op deze aanpak, dat ze de naam "Kosen Judo" introduceerden, ofwel: “grappling Judo”. Deze vorm van judo werd zo populair, dat Kano in 1925 de reglementen zo aanpaste, dat elke techniek moest beginnen vanuit tachi-waza, staand. Maar van Kano weten we dat hij een sterke voorkeur had voor staande technieken vanuit Kito Ryu en de principes van seiryoku zenyo. Toch begreep hij de waarde van Kosen Judo, en moedigde de specialisten aan om zich daarin te ontwikkelen. Het Seven Universities Tournament, dat in Japan nog steeds bestaat, hoeft zich dan ook bij uitzondering niet te houden aan deze regel van 1925. De Kosen Judoka’s vormen een elite, waarbij het een schande is om op te geven, of maitta te zeggen. Een verwurging of armklem gaat dan ook door tot…

 

Uit deze traditie stammen de moderne varianten van het judo: Gracie ju-jutsu en Sambo, harde judo-achtige gevechtsvormen die verwant zijn aan deze stijlen can voor 1925.

In 1951 daagden de zonen van Maeda's traditie in Brazilie, waaronder Helio Gracie, de beste Japanse judoka’s uit voor een toernooi. Daarom ging de allerbeste judoka, de kampioen van 1949 naar Brazilie: Masahiko Kimura. (zie menu “judolegenden”) Ten overstaan van 20.000 fans, inclusief de president en vice-president, kwam Kimura tegenover Gracie te staan. De wedstrijd begon Kimura wierp Gracie keer op keer. Maar de Gracies hadden een erg zachte mat neergelegd, zodat Helio niet gewond raakte door Kimura’s handelsmerk: snelle en harde worpen. Dus ging Kimura na de worpen Gracie ook in de houdgreep leggen. Toen Gracie probeerde Kimura om te rollen, nam deze hem in een armklem. In de traditie weigerde Gracie af te tikken en dus brak Kimura Gracie's elleboog. Nog steeds weigerde Gracie op te geven, en Kimura nam zijn hoofd in een klem. Toen er bloed uit Gracie's ook kwam, vroeg Kimura, "gaat het nog?" Toen Gracie ‘ja’ antwoordde, begon Kimura zijn hoofd als een meloen te kraken. De familie Gracie gooide de handdoek in de ring. Na 13 minuten had de judoka de uitdaging gewonnen.

Pas na 35 jaar zou de familie opnieuw proberen hun judo-stijl wereldwijd te laten erkennen.

Vandaag de dag is met name in Amerika dat heel goed gelukt. In Amerika is het moderne judo net zo beïnvloed door wat men gewoonlijk BJJ noemt, als in West-Europa het judo beïnvloed is door Sambo…

 

Deze gevechtskunst wordt soms ook Gracie Ju-Jutsu (GJJ) genoemd, maar deze naam is 'beschermd' en exclusief voor Rorion Gracie en de door hem uitgekozen leraren. Andere leden van de familie Gracie family noemen het vaak bij hun eigen naam, zoals Charles Gracie Ju-Jutsu of Renzo Gracie Ju-Jutsu, en zo hebben ook de gebroeders Machado hun eigen stijl: Machado Ju-Jutsu (MJJ). Hoewel elke stijl eigen leraren en eigen unieke aspecten heeft, zijn ze eigenlijk allemaal variaties op het Brazilian Ju-Jutsu.

 

 

b. Sambo

 

Op een vergelijkbare manier gebruiken andere kunsten dan Judo als hun fundament. Een Rus, A. Oshichenikov had Japan bezocht in 1911, en trainde in de Kodokan gedurende zes jaar. Na zijn thuiskomst in 1917, begon hij Judo te leren aan het rode leger en de geheime politie. Volgens één lezing gebruikte hij deze achtergrond om in de jaren 30 een speciale Russische gevechtsstijl "Sambo," genaamd te beginnen, soms ook "Sombo" genoemd. Volgens een  andere lezing, was een zekere Vassily Oschepkov in de Kodokan gaan trainen, in 1909 of 1911, en keerde terug naar Vladivostok in 1915 om daar een dojo te openen, en hij kreeg zijn tweede Dan in de Kodokan in 1917. Hij ging door met lesgeven ook na de revolutie tot in de jaren 20, maar bij de zuiveringen onder Stalin verdween hij in de jaren 30. Zijn studenten, inclusief Anatoli Harlempigev, waren evenwel betrokken in de opzet van Sambo vanuit het Judo en de verschillende bestaande worstel-stijlen in de Sovjet Unie. Waar Gracie ju-jutsu de nadruk legde op grappling en wurggrepen, was Sambo gespecialiseerd in arm- en beenklemmen. In tegenstelling tot Gracie, verwierp Sambo het Judo-gradensysteem en gebruikte de Sovjet-term "Meester in de Sport" met als graden: eerste, tweede en de hoogste, derde klasse – gereserveerd voor nationale kampioenen. 

Toen Judo een Olympische demonstratiesport werd in 1964, gingen Russische Sambo-judoka’s ook ‘gewoon’ judo doen, zodat de Sovjet Unie kon meedoen met internationale prestigetoernooien. Sambo, afgeleid van het Judo, legde een stevig fundament voor een Russische Judo-stijl, en maakt daarmee een verschil tot op vandaag. De oefening van het Judo in het Russische Sambo kreeg in 1972 een enorme stimulans, toen de Japanse Judokampioenen Katsuhiko Kashiwazaki en Nobuyuki Sato meededen aan een nationale Sambo-competitie in Riga, Letland. Zoals de familie Gracie 20 jaar eerder, hadden de Sovjets hun nationale Sambo beschouwd als superieur. Maar toen Kashiwazaki en Sato de beste uit het team van de Sovjet Unie versloegen, en met de gouden medailles huiswaarts gingen, was dat een openbaring. Veel Sambo clubs werden later Judo clubs.

 

 

naar boven

 


 

6. Bijlagen

 

 

Bijlage 1: Gevechtssport of krijgskunst?

 

Beoefenaars van Aikido of andere Japanse gevechtssporten beelden zich vaak in dat ze een Budo beoefenen, een levensweg zoals werd beoefend door Japanse krijgers in de tijd dat echte mannen plooirokjes droegen. De waarheid is dat, zonder uitzondering, alle in het Westen beoefende Japanse gevechtssporten in de laatste 100 jaar zijn ontwikkeld of aangepast voor competitie of lichamelijke opvoeding van schoolkinderen, en weinig tot niets met traditionele krijgskunsten te maken hebben.

 

Traditionele krijgskunsten zijn heden zo goed als onbekend in Japan zelf, het is dan ook te verwachten dat ze nog minder bekend en begrepen worden in de rest van de wereld. De voornaamste oorzaak hiervan is dat sinds de Meiji periode de Japanse regering de meeste traditionele krijgskunsten vernietigd en vervangen heeft door nieuw uitgevonden vormen van gevechtstraining, die na de tweede wereldoorlog werden omgevormd tot competitiesport. Zelfs Aikido, dat nooit een competitiesport is geworden, werd grondig gewijzigd in de periode na de oorlog.

 

Bovendien is nog steeds de beoefening van de traditionele krijgskunsten niet toegestaan in Japanse scholen, in tegenstelling tot de moderne gevechtssporten. Kendo, Iaido, Kyudo, Judo, Karate en Aikido hebben dit met elkaar gemeen: ze hebben zeer weinig te maken met traditionele krijgskunsten, en alle werden minstens 2 of 3 keer ‘heruitgevonden’ in de laatste 100 jaar.

 

Laat ons Kendo als voorbeeld nemen (Judo en Karate enz zijn haast volledig analoog). Toen de Japanse regering in 1876 het openbaar dragen van het zwaard verbood, verdwenen reeds een heleboel stijlen van traditioneel kenjutsu. In 1895 werd de Nippon Butokukai gesticht als gevolg van de overwinning in de Sino-Japanse oorlog, om de ‘krijgersdeugd’ te bevorderen. Een vorm van duel met bamboe zwaarden werd door de Butokukai populair gemaakt (Gekken). Dit stond open voor iedereen, en miste iedere structuur of technische inhoud. De Butokukai duelstijl vroeg snelle reflexen, brute kracht, snelheid en een agressieve houding. Het doel was de tegenstander te overweldigen met een zeer agressieve aanval, zonder aan de eigen veiligheid te denken. Men moest zijn eigen leven willen weggooien om een dodelijke slag toe te kunnen brengen aan de tegenstander. Echte zwaardtechnieken kwamen hier echter amper aan te pas. Het voornaamste doel was een mentaliteit te kweken waarin mensen zich blind zouden opofferen voor de keizer.

In 1909 werd Butokukai Gekken ingevoerd in universiteiten onder de Universitaire Kendo Federatie. In 1911 maakte het Ministerie van onderwijs een aangepaste vorm, shinai kyôgi, verplicht in alle middelbare scholen. Lichtere bamboestokken, oefeningen en conditietraining werden ingevoerd, maar de nadruk bleef liggen op agressie en snelheid, niet op leren omgaan met een zwaard. In 1926 veranderde het ministerie de naam shinai kyôgi in Kendo. Na de oorlog verbood de Amerikaanse bezetter alle krijgskunsten tot aan het uitbreken van de Koreaanse oorlog.

 

In 1952 werd Kendo opnieuw toegelaten in scholen, op voorwaarde dat (in de woorden van het ministerie van onderwijs): "Kendo wordt niet aangeleerd als een budo, maar als een sport voor lichamelijke opvoeding, op dezelfde manier als elke andere sport." Met andere woorden, de aggressiviteitstraining werd vervangen door nadruk op het winnen van wedstrijden. Het is deze competitie-gerichte vorm van kendo die werd uitgevoerd naar de rest van de wereld sinds in 1971 de Internationale Kendo Federatie werd opgericht.

 

Beoefenaars van een door het Japanse ministerie van onderwijs goedgekeurde vechtsport zoals kendo, judo, karate of aikido beelden zich misschien in dat ze trainen in een budo (krijgskunst), maar in werkelijkheid is dit hen expliciet verboden. In officiele Japanse documenten wordt het woord budo nooit gebruikt, men spreekt van kakugi (competitieve technieken). Het doel van de gevechtssporten is lichamelijke opvoeding en competitie, net zoals tennis of baseball. Velen betreuren de nadruk op competitie, en dromen van een terugkeer naar “echt” kendo of jujutsu. Helaas is in veel gevallen het enige “oude” model waarop men kan terugvallen de militaristische, op agressiviteit en zelfopoffering gebaseerde, ongezonde vooroorlogse training. De ware traditionele Japanse kenjutsu en jujutsu koryu, evenals authentieke krijgskunsten van Okinawa, die niet werden misvormd tot moderne stijlen, zijn helaas haast ontoegankelijk voor buitenstaanders, en daardoor algemeen onbekend en onbegrepen.

 

Eli Steenput, bron: Hajime-magazine

 

naar boven

 


 

 

Bijlage 2: Kodokan-judo en dojo-training: de weg van opvoeding

 

 

Uiteraard hebben de bovenstaande Kodokan-principes gevolgen voor de manier waarop in de dojo concreet wordt getraind. In het Kodokan is dat nooit louter technische training, maar in de geest van Jigoro Kano vooral een compleet programma van opvoeding. Wij geven weer wat Shinichi Oimatsu (9e dan Kodokan) daarover zegt:

 

 

(1) Jita Kyoei en Rei (etiquette) instructie

 

Zie daarvoor ook in het menu: 'respect'. In menselijke relaties is respect en eerbied voor elkaar belangrijk. Als respect en liefde voor de medemens afwezig zijn, zijn we net dieren. Daarom bij judo ook de buigingsetiquette. Deze klassieke praktijk heet rei.

Rei wordt gegeven ten overstaan van mensen, ongeacht hun positie. Wat je echter vooral serieus moet vasthouden is de rei ten overstaan van wat het oog niet kan zien, dat wil zeggen: de algemene geest (ki). Het is belangrijk dat deze laatste vorm van rei in de dojo over een lange tijdsperiode wordt aangeleerd. Sympathie voor anderen en hen geen overlast bezorgen is de echte geest van rei. Zo bezien is rei dus ook de basis van de geest van Jita Kyoei.

 

(2) De technieken van tai-sabaki (je voorbereiden op de ontmoeting met de tegenstander), kuzushi, tsukuri, en kake belichamen de fundamentele principes. Maak die in de training tot iets van jezelf, met een begrijpelijke en rationele ondergrond.

 

Het uitvoeren van technieken is een van de belangrijkste punten van onderricht in de dojo. Daar leer je niet alleen alles over kuzushi, tsukuri, kake, maar ook tai-sabaki - de beweging die tot de tsukuri leidt. Kuzushi is: de tegenstander uit balans brengen door hem kwetsbaar te maken voor de aanval. Tsukuri is: het lichaam van de tegenstander kuzushi houden en tegelijk je eigen positie vasthouden en klaarmaken voor de aanval. Kake is: in de beslissende en dominante beweging komen in dat éne moment waarop je de tegenstander en jezelf hebt voorbereid. Al die technische principes moeten optimaal functioneren.

 

In het onderricht moet je eerst het belang inzien van de techniek om je tegenstander te domineren en te werpen, en daarna begrijpen wat de theorie achter de techniek is. Daarom moet je de techniek steeds opnieuw precies zo uitvoeren als de theorie voorschrijft. Je komt aan de top van je kunnen en vaardigheid als je dat steeds correcter, sneller en krachtiger doet. Als je op die manier de principes van techniek en herhaalde oefening aanvaardt, met als doel om te bewegen zoals de principes voorschrijven, heb je de fundamentele houding om vaardigheid te verwerven. Aangezien je lichaam niet meteen zal bewegen zoals voorgeschreven is, moet je goed in de gaten houden wat niet overeenkomt met de principes, en honderd keer per dag blijven oefenen je steeds opnieuw aanpassen aan je nieuwe inzichten. Het is ook belangrijk om gevoel te krijgen voor de tai-sabaki-beweging die flexibiliteit in tsukuri en kake teweegbrengt. Aangezien je tegenstander zich op hetzelfde moment voorbereidt, en je je aanpast aan die veranderingen, moet je ook de kunst beheersen om de baas te blijven over alle bewegingen. Geest, techniek en lichaam worden verfijnd in deze vorm van oefening en dat is op zich al waardevol. Jouw doel is echter niet alleen de vooruitgang in technische vaardigheid, ook om je te leren te bewegen zoals de theorie voorschrijft. Ongeacht hoe je oefent, is het van eminent belang om altijd zuiver vast te houden aan de theorie - wat trouwens geldt voor alle aspecten van het gewone leven.

 

(3) Een houding van studie en creativiteit

 

Als je de principes van de techniek begrijpt en je ze zó probeert eigen te maken alsof het je eigen technieken waren, kom je op een hoger niveau van training. Als de tijd komt om je techniek uit te proberen tegen verschillende tegenstanders [randori], wordt je je bewust van de lichaamsbouw van de anderen, de kracht van hun lichaam en spieren, de manier van vechten, favoriete techniek. Dat is bij iedere tegenstander anders. Alles wordt natuurlijk uitgevoerd overeenkomstig de regels, want de methode van aanval en verdediging staat nooit los van de vraag hoe je de meest passende techniek uitvoert in relatie tot elkaar. Dat wil niet zeggen: een techniek op goed geluk uitvoeren, maar, of het nu een stap voorwaarts of terug is, die éne stap moet kloppen. De juiste techniek voor de juiste manier van aanvallen.

 

Tegelijkertijd moet je een flexibele mentaliteit en houding hebben, zodat je snel kan veranderen om te reageren op een aanval, ongeacht richting, tijdstip, of techniek. Om die reden maak je een soort vergelijkende studie van alle elementen in jezelf en de anderen, van de relatie tussen aanval en verdediging vanuit het standpunt van techniek, de manier om te winnen, de voortgaande oefening op de juiste manier, en de voortgang in de juiste richting.

 

Voor dat doel moet je nadenken en jezelf leren kennen, maar ook raad vragen bij ouderen en leraren, die meer ervaring hebben, of gespecialiseerde werken lezen. Het is belangrijk om de bewegingen van de wijze voorgangers te leren verstaan. Je hoeft niet alles zelf uit te vinden. Kodokan-judotechnieken hebben zich ook maar geleidelijk ontwikkeld tot de omvang die het nu heeft. (...) Zowel katame-waza als nage-waza zijn uitgebreid bestudeerd en verder ontwikkeld. Het Kodokan heeft steeds een nieuwe uitdaging gezocht, passend binnen de regels, op basus van serieuze training, studie en technische vooruitgang. Je ziet wel dat de subtiele technieken daarom tegenwoordig zeer divers zijn geworden. 

 

Die houding van studie en creativiteit is ook belangrijk voor alle aspecten van het menselijk leven en de samenleving. Het is meer dan studie en creativiteit in relatie tot een wedstrijd of techniek, zoals die in de dojo wordt onderwezen om judo te leren. De betekenis van die houding is ook van groot belang voor de rest van je leven. Zonder dat zouden persoonlijke ontwikkeling en algemene dienstbaarheid niet bestaan. Jigoro Kano verwees naar die houding in 1889 in "judo en zijn opvoedkundige waarde". Hij stelde dat deze houding "van toepassing is, niet alleen voor een wedstrijd, maar ook doelmatig is in alle situaties van handel, politiek en opvoeding." Dit is dus echt iets wat serieuze aandacht verdient.

 

Het is nodig dat we judoka aansporen tot een houding van studie en trouw aan de bronnen. Dat is een van de belangrijkste opvoedkundige elementen van de judotraining in de dojo. Tegelijkertijd stopt het niet in de dojo, maar schept het ook een bredere band. Je bent méér dan alleen een individu; denk daarom ook aan je eigen rol om in de samenleving te helpen, zoveel je maar kunt. Omwille van de vooruitgang en ontwikkeling van de samenleving, blijf continu studeren en bevorder de houding die aanmoedigt om iets voort te brengen. Daarover moet steeds opnieuw nagedacht worden tijdens de lessen.

 

(4) Positieve houding (moed)

 

Over het algemeen moet je, om een voorsprong op je tegenstander te hebben in een wedstrijd of oefening, beschikken over een zekere kracht, lichamelijke fitheid, technische vaardigheid, en een energieke geest. Of je dat hebt, hangt af van de manier waarop je je voortdurend hebt getraind. Op die manier worden een energieke geest en moed gevoed.

 

Er zijn nogal veel voorbeelden waarbij judoka veel meer fysieke kracht als technische vaardigheden dan normaal bleken te hebben. Aangezien judo een vorm van persoonlijk contact is, kunnen de geestesgesteldheid, de technische vaardigheden en de fysieke kracht van de tegenstander direct worden waargenomen. Zonder een superieure geest zul je overweldigd worden door je tegenstander. Dan kun je niet kunnen laten zien wat je technische vaardigheid is, of je fysieke kracht.

 

Er zijn ontzettend veel kansen in een judo-oefening of -wedstrijd om de energie van je geest te stimuleren, om zo al je kracht te benutten en niet van een tegenstander te verliezen. Door oefening en wedstrijden kun je leren om steeds meer energie en moed in je geest te ontwikkelen. Daarbij moet je moed wel verstaan als iets "collectiefs of geestelijks, omwille van het bereiken van een waardevol doel, een onrealistische kracht die samensmelt met fermheid en een positieve visie.". Om deze moed echt tot een deel van jezelf te maken, moet je steeds meer motivatie ontwikkelen. Met andere woorden, houd tot het bittere eind vast aan de houding die onvoorwaardelijk in verzet komt tegen alles wat in strijd is met de waarheid en het gezond verstand.

 

(5) Juiste houding bij zitten en staan - een juiste geest

 

De fundamentele lichaamshouding bij judo is de natuurlijke houding van het lichaam, dat wil zeggen: de natuurlijke staande positie die meteen kan reageren als je zelf begint te bewegen of de techniek van de ander opvangt. Bij judo is de natuurlijke lichaamshouding gewoon (of een verdedigende, maar dat is maar tijdelijk). Ook de juiste zithouding is vastgesteld, aangepast aan de aanwezigheid van tatami (stomatten) gedurende de jaren. De juiste zithouding is: rustig vanuit de buik ademhalen. Terwijl dit gebeurt en deze ademhaling vanuit de diepte voortdurend wordt herhaald, verdwijnen wereldse en slechte gedachten, en wordt de geest ook rustig. Zo kom je in de buurt van mushin (geen geest) en seishin (juiste geest). Het is niet moeilijk om de geschikte geestelijke toestand (van een natuurlijke houding) en de onbeweeglijke houding van het ware zelf te bereiken. Dat komt door de bloedcirculatie, die door alle inwendige organen stroomt. Het gevolg van die stabiele en geestelijke situatie is, dat alle bewegingen beter gaan. Als we denken aan iemands lichaamshouding gedurende de dag, wordt ongeveer tweederde wakker, en eenderde slapend doorgebracht. Als iemands lichaamshouding goed is tijdens de lichamelijke opvoeding en de judotraining, maar de rest van de dag niet, is er een onbewuste slechte invloed op de groei, ontwikkeling en gezondheid van lichaam en geest. Dus: een natuurlijke lichaams- en zithouding is belangrijk.

 

(6) Als er inspanning is, is er ook altijd vervulling

 

Professor Kano stelde dat ieder menselijk wezen een doel moet hebben om een waardevol persoon te worden. Er zijn verschillende soorten mensen, maar van het grootste belang is risshi, een doel stellen. Daarop volgt takudo, een weg kiezen om dat doel te vervullen. Professor Kano vervolgde, "Rishii en takudo, op basis van deze twee dingen wordt besloten wat je gaat doen, en dat leidt tot ketsuryoku (inspanning). We moeten streven totdat er volkomenheid is" (uit Seinen Shuyokun). Judo-oefening bestaat uit het herhalen van theoretische technieken. Vooruitgang is alleen meetbaar na herhaalde oefening. Op het moment dat er een doel is gesteld, zoek je naar de meest adequate methode om het te voltooien. De houding die niet te snel opgeeft, maar die blijft zoeken in de diepte naar een manier om het doel te bereiken, blijft belangrijk, ongeacht wat voor weg of werk je hebt gekozen. (...)

Professor Kano leerde zijn studenten altijd om bij de les te blijven in de geest van "Nee, ik geef niet op". Als de studenten hem vroegen een spreuk te geven, gaf hij frasen als tsutomureba kanarazu tassu (als er inspanning is, is er ook altijd vervulling), katsuryoku (inspanning), en anderen die de geest van Seiryoku zenyo lieten zien.

 

 

c. Enkele punten over het onderricht

 

Professor Kano gaf uitleg over de methode van judo en stelde vier onderwerpen voor: (1) kata , (2) randori  (3) kogi (lessen), en (4) mondo (vragen en antwoorden). Zijn lessen gingen over het doel (om judo dieper te begrijpen), over het omgaan met techniek, praktijkoefeningen, en wedstrijden in het algemeen. De inhoud van de lessen behelsde de geschiedenis van judo, de ontwikkeling, fundamenten, de waarde van training, de sport als wetenschap, de theorie van lichamelijke opvoeding en andere onderwerpen. Dit werd logsich, systematisch en langdurig onderwezen. De lessen werden direct verbonden met techniek, dojo-etiquette en de houding tijdens de oefeningen, maar ook met het sociaal leven. Het ging dus ook over een houding van samenwerken in leven en houding. (...)

Om resultaat te hebben bij lessen over judo is moeilijk. Het is een keerpunt in het leven van jonge mensen die judo leren. Want dan wordt het serieus. Maar omdat het zo veel voeding geeft aan geest en lichaam, moeten leraren altijd de geest van Professor Kano in gedachten houden. We vinden de volgende passage van Professor Kano over het onderzoek, de verwezelijking en het onderwijs over de weg van judo:

"Er is niets groters onder de hemelen dan opvoeding. De deugd van één verspreidt zich over velen; als er echt onderwijs is, gaat dat door de eeuwen heen.".

 

 

Over Kodokan-judo en dojo-training: vertaling en bewerking van: "The Way of Seiryoku Zenyo-Jita Kyoei and Its Instruction" Door Shinichi Oimatsu (Kodokan)

The Bulletin for the Scientific Study of Kodokan Judo, Volume VI, 1984. Zie ook judoinfo.com.

 

 

naar boven

 

 

 

klik om te reageren

op mitesco 

       

Dese site is geoptimailseerd voor gebruik

door MS IE7 of Mozilla Firefox 2.x

Resolutie 1024x728 pixels.

© MITESCO.NL    2008-2009

Alle rechten voorbehouden.